Home » Preekarchief » preken 2016 » 2 oktober 2016

2 oktober 2016

OVERWEGING ZEVENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 2 OKTOBER 2016
(Hab. 1.2-3;2,2-4 en Lc. 17,5-10)(C)

‘Waar het visioen ontbreekt, verwildert het volk’. Een min of meer bekende zin uit het boek Spreuken. Onder geen omstandigheid mag een mens zijn visioen prijsgeven. En dat is niet makkelijk als we even denken aan de wanhoop, boosheid en angst na de aanslagen in Brussel, Nice, Parijs. Dat is niet eenvoudig als wij denken aan de gruwelijke burgeroorlog in Syrië en Irak waar de Russen en Assad de gemeenste bommen gooien. Dat is niet eenvoudig voor ons hier veilig in het Westen, maar al helemaal niet als je daar middenin het oorlogsgeweld zit in Aleppo. Onder zulke omstandigheden geef je je mooie idealen en visioenen makkelijk prijs aan cynisme en haat. Dan verlies je je geloof in de goedheid van de mensheid en verlies je je geloof in God. ‘Waarom, Heer?’.

‘Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl U maar niet luistert? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl U maar geen uitkomst brengt? Waarom laat U mij en de wereld onrecht lijden en ziet U die ellende maar aan? Waarom moet ik leven temidden van geweld en verdrukking en waarom rijst er twist en moet men lijden onder tweedracht?’. Het kan het machteloze gebed zijn van een gewonde vrouw in Aleppo, of van een gedreven ziekenverzorger aldaar, maar ze zijn afkomstig uit de eerste lezing van de profeet Habakuk. Hij leefde meer dan zes eeuwen voor Christus, maar zijn woorden zijn schrikbarend actueel.

Het is zeer begrijpelijk dat wij bij het horen of zien van al weer een aanslag, van misbruik of van stromen vluchtelingen of van hongerlijders, denken aan de ‘waaromvraag’. ‘Waarom, Heer?’. We krijgen er geen antwoord op!

Of hooguit een begin van een antwoord. Iets wat er met een beetje goede wil op lijkt. Geen pasklare antwoorden om in een handomdraai de kwestie op te lossen, maar iets waar je je leven lang mee zult moeten leren omgaan: dat is wat we van God krijgen. Je moet je visioen koesteren. ‘Schrijf je visioen op’, zegt Habakuk, ‘zet het duidelijk op schrift zodat men het vlot kan lezen. (…) Geef het wachten niet op, want komen doet het beslist’. Geef onder geen enkele omstandigheid je visioen, je droom op. Ja, want als je dat doet, dan is het ‘hoop verloren, al verloren’. Wij moeten ons visioen, onze hoop, onze droom dus vasthouden.

Maar dan moeten we natuurlijk wel een visioen hebben. Heeft u een visioen? Heeft u hoop? Heeft u een droom? Moeilijk onder woorden te brengen als dat zo plompverloren gevraagd wordt. Maar er gaat eigenlijk iets aan vooraf. En dat is geloof. Er moet eerst geloof zijn wil er ook een visioen zijn. Geloof is bij wijze van spreken de moeder van het visioen, het geloof baart het visioen. En geloof, ja, je hebt het of je hebt het niet. Je bent het of je bent het. Je kunt het hebben maar ook kwijt raken. Daarom is die vraag van de apostelen ook heel begrijpelijk, want zij zaten er ook mee. ‘Geef ons meer geloof’. Ondanks hun dagelijkse omgang met Jezus, ondanks wat zij dagelijks met Hem meemaakten, ontbrak het hen dus kennelijk toch aan geloof. Terwijl het voor hen binnen handbereik lag, was het toch nog zo moeilijk.

Voor de leerlingen van Jezus toen, voor de eerste christenen, maar ook voor velen nu. Want het geloof wordt in onze cultuur aangevochten, ter discussie gesteld. Bidden, naar de kerk gaan, een relatie hebben met God, velen zetten daar grote vraagtekens bij. Terwijl het wereldwijd mensen juist ook een enorme kracht geeft om mooie dingen te doen of soms ook lelijke dingen te doen. Maar uitgaande van de positieve kracht die van het geloof uitgaat zou de bede van de apostelen ‘geef ons meer geloof’ ook onze bede moeten worden.
De miljard mensen die honger lijden, de aanslagen overal, de meer dan zestig miljoen vluchtelingen, we kunnen al deze problemen niet een-twee-drie oplossen met een dosis geloof, maar het geloof, het christelijk geloof als ik dat heb, spoort mij wel aan om dingen te doen. Het spoort mij wel aan tot naastenliefde, het spoort mij wel aan tot het doen van werken van barmhartigheid. Want dat geloof doordrenkt als het goed is wel mijn hele bestaan, mijn hele denken, mijn hele handelen. Geloven is voor mij dan een werkwoord.

En waar vrede nog niet gerealiseerd is, waar onrecht nog steeds bestaat, blijf ik door dat geloof dromen van vrede. Vrede in mijn gezin, in mijn familie, op mijn werk, op straat en in dit land. Ondanks de vaak teleurstellende realiteit hou ik dat visioen, van een wereld met toekomst voor alle kinderen, levend. Want ik geloof in God, ik geloof in mijn medemens en ik hoop daarom op een wereld waarin mensen elkaar echt liefhebben en instaan voor elkaar, elkaar dragen en vergeven. En waar zwaarden tot ploegijzers worden omgesmeed.

‘Geef ons meer geloof, Heer’, is dan ook mijn gebed. Want vanuit ons geloof blijven wij dromen en visioenen koesteren en worden wij ertoe aangezet om daden te stellen. En dan een klein beginnetje maken de enorme problemen waarmee onze wereld worstelt tot een oplossing te brengen.

Amen
© 2016 Sandor Koppers