Home » Preken 2020 » Overweging 26e zondag door het jaar 2020

Overweging 26e zondag door het jaar 2020

Het kan heel vervelend zijn als je ergens buiten wordt gehouden

4 oktober 2020
Schriftlezingen: Jes. 5,1-7; Fil. 4,6-9 en Mt. 21,33-43(A)
Het kan heel vervelend zijn als je ergens buiten wordt gehouden. Als je merkt dat je er toch niet helemaal bij hoort en toch niet helemaal mee mag doen, dat men je er liever niet bij heeft. Dat niet meer naar jouw mening wordt gevraagd of dat jouw medewerking niet meer gewenst is, dat je op de reservebank belandt. Terwijl je zo graag wil, terwijl je het beste met iedereen voor hebt. Het is een herkenbare ervaring en deze ervaring lijkt zich ook voor te doen zoals dat blijkt uit de mond van de profeet Jesaja. Het ademt teleurstelling uit. God legde een wijngaard aan. Hij besteedde er al zijn aandacht aan, alles had Hij ervoor over. Het wachten was op de eerste vruchten van zijn inspanningen, maar wat Hij oogstte waren wilde vruchten, zure bessen: zure, bittere mensen, die elkaar het licht in de ogen niet gunden, die alleen maar uit waren op het eigen belang en eigen gewin. Het onrecht dat zij anderen aandeden, interesseerde hen niets. Verkrachting van recht. Waar geen rekening gehouden wordt met God, waar zijn gaven niet tot goede vruchten leiden, daar komen ook mensen op den duur niet meer tot hun recht, kunnen ze zelfs scheefgroeien, verwilderen, anderen overwoekeren, ontwortelen en ontaarden. De vorige eeuw geeft ons tal van voorbeelden van dergelijke ontsporingen met grote gevolgen. Maar ook onze tijd kent genoeg voorbeelden van zure vruchten. In de eerste lezing lijkt God het op te geven met zijn volk, zijn wijngaard, want zo heeft het toch geen zin meer.

In het evangelie neemt Jezus deze zure ervaring en houding als uitgangspunt. God, die het beste wat Hij had aan de mensen gaf, maar geen respons kreeg. Sterker nog: zijn recht, zijn Wet en Hijzelf werden buitengesloten. Zo zal ook zijn eigen Zoon het moeten meemaken; de zoon van de wijngaardenier die komt vragen hoe het met de oogst van zijn vader zit. Hij wordt letterlijk buitengeworpen en gedood, met een kruisboom op de rug zijn heilige stad Jeruzalem uitgejaagd. Buitengesloten, terwijl Hij er altijd voor anderen was, het zo goed met de mensen voor had, hen hielp om goede vruchten voort te brengen. Hij was niet meer gewenst, Hij moest verdwijnen.

Je begrijpt niet dat God dit zijn Zoon aan doet. Hij had het toch kunnen weten, het was Hem al zo bekend van zijn dienaren, de profeten, die hadden ze ook gedood en verjaagd. Toch waagt God het nog één keer. Hij dreigt niet langer met het droogleggen van de wijngaard, met verwoesting en verwildering. Neen, Hij laat zich in zijn Zoon nogmaals buitenwerpen, alsof Hij het kwaad dat zo diep in de mens huist, uit wil laten razen, tot het zijn kracht verliest en de mens tot bezinning komt. Als dat moment gekomen is, is er het moment om een nieuwe wijngaard aan te leggen, met struiken die wel goede vruchten voortbrengen, die zich willen laten bijsnoeien en bijbuigen. En die nieuwe wijngaard noemt Jezus het Rijk Gods, dat gegeven zal worden aan hen die aan hun vruchten laten zien dat ze van God zijn, dat ze zijn van liefde, van zijn Geest zijn doordrongen.

Hoe is het met ons? Wie werpen wij buiten? Welke zure vruchten dragen wij, of waar blijven wij vruchteloos en moeten we worden bijgesnoeid? Brengen wij, die toch door God met genade zijn begoten en overstraald, vruchten voort, goede vruchten, vruchten die passen bij het Rijk van God? Brengen wij in praktijk wat Jezus ons voorhoudt? Vestigen wij onze aandacht op wat waar is en edel, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk?
Of staat ons leven bol van boosheid en agressie, van hatelijkheid, van liefdeloosheid of smakeloosheid?

Een gewetensonderzoek op dit punt kan nooit kwaad: aan God in alle eerlijkheid vragen om je bij te snoeien, om je in te laten zien hoe liefdeloos of haatdragend je kunt zijn, hoe zelfgenoegzaam je kunt zijn of wat dan ook. Alles met het doel om je vruchten te laten dragen van goedheid en zachtheid. Opdat zijn gaven aan ons niet tevergeefs zijn. Dat is dus geen symptoombestrijding, maar dient helemaal naar de wortel te gaan van het kwaad dat in ons huist om te zorgen dat er voortaan goede vruchten geplukt kunnen worden. En wij nooit zullen vergeten om ook de goede vruchten te zien en God daarvoor te danken. Dan zal de God van de vrede met ons zijn.
Amen.
© 2020 Sandor Koppers

4 november 2020

OVERWEGING ZEVENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 4 OKTOBER 2020 (Jes. 5,1-7; Fil. 4,6-9 en Mt. 21,33-43)(A)

Het kan heel vervelend zijn als je ergens buiten wordt gehouden. Als je merkt dat je er toch niet helemaal bij hoort en toch niet helemaal mee mag doen, dat men je er liever niet bij heeft. Dat niet meer naar jouw mening wordt gevraagd of dat jouw medewerking niet meer gewenst is, dat je op de reservebank belandt. Terwijl je zo graag wil, terwijl je het beste met iedereen voor hebt. Het is een herkenbare ervaring en deze ervaring lijkt zich ook voor te doen zoals dat blijkt uit de mond van de profeet Jesaja. Het ademt teleurstelling uit. God legde een wijngaard aan. Hij besteedde er al zijn aandacht aan, alles had Hij ervoor over. Het wachten was op de eerste vruchten van zijn inspanningen, maar wat Hij oogstte waren wilde vruchten, zure bessen: zure, bittere mensen, die elkaar het licht in de ogen niet gunden, die alleen maar uit waren op het eigen belang en eigen gewin. Het onrecht dat zij anderen aandeden, interesseerde hen niets. Verkrachting van recht. Waar geen rekening gehouden wordt met God, waar zijn gaven niet tot goede vruchten leiden, daar komen ook mensen op den duur niet meer tot hun recht, kunnen ze zelfs scheefgroeien, verwilderen, anderen overwoekeren, ontwortelen en ontaarden. De vorige eeuw geeft ons tal van voorbeelden van dergelijke ontsporingen met grote gevolgen. Maar ook onze tijd kent genoeg voorbeelden van zure vruchten. In de eerste lezing lijkt God het op te geven met zijn volk, zijn wijngaard, want zo heeft het toch geen zin meer.

In het evangelie neemt Jezus deze zure ervaring en houding als uitgangspunt. God, die het beste wat Hij had aan de mensen gaf, maar geen respons kreeg. Sterker nog: zijn recht, zijn Wet en Hijzelf werden buitengesloten. Zo zal ook zijn eigen Zoon het moeten meemaken; de zoon van de wijngaardenier die komt vragen hoe het met de oogst van zijn vader zit. Hij wordt letterlijk buitengeworpen en gedood, met een kruisboom op de rug zijn heilige stad Jeruzalem uitgejaagd. Buitengesloten, terwijl Hij er altijd voor anderen was, het zo goed met de mensen voor had, hen hielp om goede vruchten voort te brengen. Hij was niet meer gewenst, Hij moest verdwijnen.

Je begrijpt niet dat God dit zijn Zoon aan doet. Hij had het toch kunnen weten, het was Hem al zo bekend van zijn dienaren, de profeten, die hadden ze ook gedood en verjaagd. Toch waagt God het nog één keer. Hij dreigt niet langer met het droogleggen van de wijngaard, met verwoesting en verwildering. Neen, Hij laat zich in zijn Zoon nogmaals buitenwerpen, alsof Hij het kwaad dat zo diep in de mens huist, uit wil laten razen, tot het zijn kracht verliest en de mens tot bezinning komt. Als dat moment gekomen is, is er het moment om een nieuwe wijngaard aan te leggen, met struiken die wel goede vruchten voortbrengen, die zich willen laten bijsnoeien en bijbuigen. En die nieuwe wijngaard noemt Jezus het Rijk Gods, dat gegeven zal worden aan hen die aan hun vruchten laten zien dat ze van God zijn, dat ze zijn van liefde, van zijn Geest zijn doordrongen.

Hoe is het met ons? Wie werpen wij buiten? Welke zure vruchten dragen wij, of waar blijven wij vruchteloos en moeten we worden bijgesnoeid? Brengen wij, die toch door God met genade zijn begoten en overstraald, vruchten voort, goede vruchten, vruchten die passen bij het Rijk van God? Brengen wij in praktijk wat Jezus ons voorhoudt? Vestigen wij onze aandacht op wat waar is en edel, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk?
Of staat ons leven bol van boosheid en agressie, van hatelijkheid, van liefdeloosheid of smakeloosheid?

Een gewetensonderzoek op dit punt kan nooit kwaad: aan God in alle eerlijkheid vragen om je bij te snoeien, om je in te laten zien hoe liefdeloos of haatdragend je kunt zijn, hoe zelfgenoegzaam je kunt zijn of wat dan ook. Alles met het doel om je vruchten te laten dragen van goedheid en zachtheid. Opdat zijn gaven aan ons niet tevergeefs zijn. Dat is dus geen symptoombestrijding, maar dient helemaal naar de wortel te gaan van het kwaad dat in ons huist om te zorgen dat er voortaan goede vruchten geplukt kunnen worden. En wij nooit zullen vergeten om ook de goede vruchten te zien en God daarvoor te danken. Dan zal de God van de vrede met ons zijn.
Amen.

Amen.
© 2020 Sandor Koppers