Home » Preekarchief » preken 2016 » 10 april 2016

10 april 2016

OVERWEGING DERDE ZONDAG VAN PASEN,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 10 APRIL 2016
(Hand. 5,27b-32.40b-41 en Joh. 21,1-19)(C)

‘Ik geloof dat er wel iets is’, is een veelgehoorde opvatting van onze tijd. Dat bleek wel uit het lijvige rapport over de staat van het geloof in Nederland. Het rapport God in Nederland. Conclusie: het christendom ontwikkelt zich tot een exotische godsdienst. 80% van de Nederlandse bevolking is nog nooit of haast nooit in een christelijke kerk geweest en zowat geloof ik 40% noemt zich atheïst. Het aantal mensen dat spiritueel bezig is, de mensen die geloven dat er wel iets is, vertoont ook een dalende tendens. Het secularisme wint steeds meer terrein. Vandaar dat ik deze week op Facebook las of het niet tijd wordt om als christenen een soort contrasecularisatie op te starten, een beweging tegen de overheersende opvatting dat geloof en godsdienst uitsluitend privézaken zijn en niets in het openbare leven te zoeken hebben. Nou, we zullen zien wat daarvan komt.

Hoe dan ook geven de verschijningsverhalen die wij in deze tijd na Pasen week in week uit lezen genoeg aanknopingspunten tot verkondiging. Want ons christelijk geloof gaat zoveel verder dan ‘ik geloof dat er wel iets is’. De christelijke gemeenschap gelooft namelijk dat er een God is tegen wie je U, jij of Gij kunt zeggen. Een God waarmee je ook een band kunt hebben, want zo wordt er gezegd, Hij heeft ook een band met u en met mij.

En de verschijningsverhalen van Pasen willen ons God dus als zo’n persoonlijke God laten zien. Een God, in de persoon van Jezus, die ‘om wat vis vraagt’, zoals u en ik elkaar om eten of drinken kunnen vragen. Een God waar wij dus contact mee kunnen hebben, zoals wij met elkaar contact kunnen hebben. En ondanks het verhaal en het geloof van de verrijzenis is Jezus nog steeds en altijd bij ons. Je zou kunnen redeneren dat verrijzenis met weggaan en wegtrekken te maken heeft, maar het tegendeel is waar: door de verrijzenis is Jezus altijd bij ons. Hij is altijd bij ons. Als God is Hij altijd bij ons. Dus niet als mens, maar als God, dat wil zeggen los van tijd en plaats. En de leerlingen, ja, die moeten, zo zien wij in het evangelie, langzaam wennen aan die nieuwe ‘zijn’ van hun Heer en Meester.

En dat nieuwe ‘zijn’ van Jezus, vraagt ook van ons gelovige ogen! Gelovige ogen die moeten groeien en oefenen om te kunnen zien wat er te zien is. Vandaar dat Jezus in de verschillende verschijningsverhalen ook nooit onmiddellijk herkend wordt. Maria Magdalena meent op Paasochtend de tuinman te zien. De Emmaüsgangers denken met een vreemdeling in gesprek te zijn. En de vissende apostelen zien gewoon een man op de oever staan. Ze wisten stuk voor stuk niet dat het Jezus was.

Ze zien pas dat het Jezus is als Hij iets doet waardoor zijn identiteit weer duidelijk wordt. Hij moet dus iets doen. Zo spreekt Hij Maria liefdevol aan bij haar naam. En zo breekt Hij het brood voor de Emmaüsgangers. En bij de overvloed aan vissen in de netten ziet Johannes het pas: het is de Heer!

Wat zegt dat ons? Dat de ontmoeting met de verrezen Heer niet zozeer iets is van een bekend gezicht weer terugzien, zoals wij elkaar na jaren weer kunnen tegenkomen op ons vakantieadres 2000 kilometer ver weg, neen, ontmoeting met de verrezen Heer is op een overrompelende, verbluffende manier zijn aanwezigheid ontdekken. Hoe? In het liefdevolle contact met Hem, in het breken en het delen, in een plotselinge overvloed aan geluk en zaligheid. Zo kunnen wij de verrezen Heer zomaar, plotseling, onverwacht, totaal ontmoeten. Onverwacht, overrompelend.

En dat hoeven niet perse uitzonderlijke momenten of gebeurtenissen te zijn, maar juist ook om ervaringen in het leven van alledag. Want dan zegt Petrus plotseling: ‘Ik ga vissen’. Geeft dat aan dat hij het leven van alledag weer wil oppakken? Dat het hele verhaal met Jezus over en uit is? Misschien wel. Maar dan is er plotseling die intense ontmoeting met de Heer. Overvloed, samen maaltijd houden.

Ja, en dan komen de vragen. Net als bij ons. Jezus smeekt Petrus om diens liefde. Drie keer vraagt Hij: ‘Heb je mij lief?. Hou je van me? Heb je me lief?’. Drie keer – want nog niet zo lang geleden heeft Petrus Jezus drie keer verloochend. Jezus vraagt om liefde. Hij vraagt om liefde. Zoals wij elkaar ook om liefde vragen. Daarom hoort die vraag bij een God die wederkerigheid in zijn relatie met ons wil. God heeft ons het leven gegeven, God geeft het ons iedere dag weer opnieuw. Hij doet dat uit liefde. En Hij vraagt om antwoord, om beantwoording van zijn liefde. Ondanks de verloochening door Petrus wil Jezus toch de relatie met Petrus herstellen. God zoekt Petrus, God zoekt u en mij.

Maar bij die vraag om liefde hoort ook een opdracht: zorg voor mijn schapen. Niet de schapen van Petrus, maar de schapen van Jezus. Deel dus in mijn zorg voor mijn volgelingen, deel dus in mijn liefde voor de mensen. ‘Ik ga vissen’ zegt Petrus, dat wil zeggen: geraakt door Gods liefde, is er de opdracht om er te zijn voor elkaar. Het is de oude vraag aan Kaïn: ‘Ben ik soms mijn broeders hoeder?’. Ja, jij, wij zijn elkaars hoeder, broeder, zuster, beschermer. Van elkaar. Soms heb ik de steun en de zorg nodig. Een andere keer ben ik degene die zorg en steun kan geven. Maar meestal geldt allebei tegelijk: geven en ontvangen!

En zo geloven christenen in een God die er door de eeuwen heen voor ons is. In Jezus! Met de ogen van het geloof kunnen we Hem ontdekken, zien, ervaren in liefde en daar waar gebroken en gedeeld wordt en daar waar mensen goede herders zijn voor elkaar. Kijk daarom met je hart en je gelovige ogen en durf te zeggen: Ja, het is de Heer!

Amen.
© 2016 Sandor Koppers