Home » Preekarchief » preken 2016 » 9 oktober 2016

9 oktober 2016

OVERWEGING ACHTENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 9 OKTOBER 2016
(2 Kon. 5,14-17 en Lc. 17,11-19)(C)

Nood leert bidden, zegt het spreekwoord. Maar geldt ook het omgekeerde: leert geluk ook danken? Vaak wel. Vaak zeggen we: ‘God zij dank’. We kunnen ontzettend dankbaar zijn bij de geboorte van kinderen en kleinkinderen. Een huwelijksjubileum kan ook aanleiding geven tot grote dankbaarheid. Net als genezen verklaard worden van een ernstige ziekte.

Maar aan de andere kant is danken iets wat er geregeld bij inschiet. We staan op, we gaan naar bed, zonder erbij na te denken dat we gezond zijn, dat we een dak boven het hoofd hebben, dat we gelukkig zijn. Enzovoorts. Het is allemaal heel vanzelfsprekend. Ook menen veel mensen dat het ten diepste hun eigen verdienste is en dat het de vrucht is van de eigen zelfredzaamheid en autonomie. Ja, als je op dat spoor zit, heb je niet veel met die Samaritaan die naar Jezus terugkeert om Hem te bedanken. Hij valt immers vol dankbaarheid voor Jezus neer. Vanaf het moment van zijn genezing kon hij weer in verbondenheid met anderen leven. Zijn melaatsheid zette hem immers altijd apart. Niet voor niets moesten hij en zijn metgezellen altijd hardop ‘onrein, onrein’ roepen, zodat gezonde mensen wisten dat zij uit hun buurt moesten blijven. Maar door de genezing door Jezus veranderde zijn leven ingrijpend. Hij kon er weer bij horen. En daar was hij Jezus intens dankbaar voor.

Letterlijk staat daar: hij betuigde zijn dankbaarheid, ‘dankbaarheid betuigend’, in het Grieks ‘eucharistoon’. Eucharistie betekent ook letterlijk: ‘dank zeggen’. Ons samenkomen rondom de tafel van de Heer is altijd ook een dankzeggen. Dat zien en horen we bij de offerande als de priester de gaven van brood en wijn omhoog houdt. Hoewel daar het woordje ‘dank’ ontbreekt, is dit zegeningsgebed vol van dankbaarheid voor wat we ontvangen, ‘de vrucht van de aarde, de vrucht van de wijngaard’ en wat we ermee doen. We zien brood en wijn, maar zij staan voor alles wat wij uit Gods hand hebben ontvangen. Eucharistie vieren is het diepe besef tot uitdrukking brengen dat God ons het leven schenkt. Hij is onze dankbaarheid waardig.

De Samaritaan krijgt ten slotte te horen: ‘Sta op en ga heen; uw geloof heeft u gered’. Maar letterlijk staat daar: ‘Sta op en ga op weg!’. Er is dus sprake van opstanding, van verrijzenis. Deze man is door Jezus tot leven gekomen en mag nu gaan, dat wil zeggen, hij mag weer leven. Wat er verder met die man gebeurd is vertelt het verhaal ons niet. Maar wel dat hij dus vertrouwen had in Jezus. Geloof in Jezus.

Het ernstigste probleem waar wij als katholieke christenen mee te maken hebben is in mijn ogen de crisis in het geloof in Jezus. Ik merk dat in praktisch elk doopgesprek of elk huwelijksgesprek of bij praktisch elk pastoraal gesprek: de naam van Jezus wordt niet genoemd. Men wil dopen, men wil trouwen en men doet de 1e Communie, om erbij te horen, voor de mooiigheid of omdat we dat altijd zo doen, maar haast niemand doet dat vanwege zijn persoonlijke geloof in Jezus. Terwijl dat de eerste en de laatste reden zou moeten zijn! Het gaat om jouw persoonlijke geloof in Jezus, jouw persoonlijke geloof in Hem. Dat je Hem juist in de gemeenschap en in de sacramenten ontmoet. Dat je gelooft dat alleen de ontmoeting met Hem heil en genezing brengt. Dat je gelooft dat alleen een geloof in Hem redding brengt. Daar draait het om.

We zagen het zojuist: tien melaatsen zochten genezing bij Jezus. Met tien monden zongen ze luid het Kyrie: Heer, ontferm U over ons! En stonden deze buitenstaanders voor een dichte deur? Neen, ze vonden gehoor bij Jezus. Hij wees hen de weg: ´Ga u vertonen aan de priesters´, want alleen zij konden een bewijs van genezing afgeven, waardoor zij weer van de gemeenschap deel konden uitmaken. En negen van hen pakten vervolgens hun oude leventje weer snel op. Zij leefden hun leven weer verder zonder zich daadwerkelijk bewust te worden van wat er gebeurd was. Eén van hen ging terug naar de man die hem de weg van het geloof op stuurde. Hij was de enige die besefte dat God zelf zijn leven een wending ten goede had gegeven. Hij was de enige die gewaar werd dat de Schepper hem in zijn ziel geraakt had. Hij was de enige die besefte dat alleen de ontmoeting met Jezus inderdaad redding brengt. Lucas schrijft: ´Hij verheerlijkte God met luide stem´. Hij liet het Kyrie volgen door het Gloria. De negen anderen hadden de gelovige gemeenschap, de Kerk, direct na het Kyrie verlaten. Toen God hun bede om ontferming verhoord had, vergaten zij te zingen: Gloria in excelsis Deo, eer aan God in den hoge.

En het was nota bene een buitenstaander, een Samaritaan, een tweederangs Israëliet, die dat het scherpst zag. Net als de Syriër Naäman, in de eerste lezing, dat was ook een vreemdeling. Maar het zijn juist vaak de vreemdelingen, de buitenstaanders in Israëls geschiedenis die het geloof in God op beslissende momenten bewaren. Noem ze allemaal maar op: Rachab die de twee verkenners van Jozua bij zich opnam en hen leerde wat geloof en solidariteit betekenden. Maar ook Ruth, de Moabitische die haar Israëlitische schoonmoeder Noömi er weer bovenop hielp. Meer dan eens hebben de Israëlieten van vreemden geleerd wat waarachtig geloof en trouw betekenen. Dat ook de katholieke gemeenschap van nu van vreemden mag leren wat geloof en overgave is. Ik zie dat al gebeuren, maar ik hoop dat dat ook in de toekomst zo zal blijven. In deze wereldmissiemaand zou dat wel eens van cruciale betekenis kunnen zijn voor de toekomst van het christendom in onze streken.

Amen
© 2016 Sandor Koppers