Home » Preekarchief » preken 2016 » 20 november 2016

20 november 2016

OVERWEGOMG HOOGFEEST CHRISTUS, KONING VAN HET HEELAL,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 20 NOVEMBER 2016
(2 Sam. 5,1-3 en Lc. 23,35-43)(C)

Hoe kennen wij onze koningen? Als mensen die een geweldig leven hebben en die een voorbeeld zijn voor iedereen? Nou, mocht u dat gedacht hebben dan zult u naar aanleiding van het pas verschenen boek over koningin Juliana wel op andere gedachten moeten komen. In dat boek wordt een triest beeld geschetst van het leven van de vroegere koningin. Haar moeder, koningin Wilhelmina, moest zo’n beetje heel Europa af om een geschikte huwelijkspartner te vinden en uiteindelijk bleef er maar een over. Een verarmde Duitse prins Bernhard. Ze trouwen, maar de man gaat tijdens de huwelijksreis al vreemd en hij bleef dat doen. Juliana wilde een paar keer scheiden, maar durfde dat uiteindelijk toch niet. En Bernhard gedroeg zich als hij al thuis was als een ouderwets potentaat en hij neemt haar via een Duits weekblad te grazen. Moeten wij hiervan opkijken? Neen, koningen en presidenten waar en wanneer ook waren meestal kinderen van hun tijd: potentaten en machtswellustelingen. Dat geldt ongetwijfeld voor de koningen en keizers in West-Europa, maar ook voor de koningen van Israël.

En elke keer als een koning zich niet in kon houden en teveel uit was op militaire, politieke en economische macht, leidde dat tot teleurstellingen. Er werd zoveel anders van een koning verwacht. Het boek Deuteronomium schildert het ideaalbeeld van een koning. De koning van Israël wordt door de Eeuwige uitgekozen uit het volk. Hij mag zich niet boven zijn volksgenoten verheven achten. ‘Niet veel paarden, niet veel vrouwen en niet veel zilver en goud vergaren’. Paarden speelden immers een rol in de oorlogvoering, en de huwelijken van de koning waren vaak gearrangeerd om politieke motieven. Hij mag zijn onderdanen niet tot lijfeigenen en slaven maken (‘het volk niet terug laten gaan naar Egypte’). Elke dag moet hij in de Tora lezen en die in praktijk brengen.

Koning David was in veel opzichten het voorbeeld van een goede, messiaanse koning. Hij behoorde tot het volk, hij was één van hen: ‘Hier zijn wij, uw eigen vlees en bloed’, lazen we zojuist. Zij kenden zijn leiderskwaliteiten en hij was een man van bevrijding. Uit andere verhalen bleek dat hij nederig en bescheiden was en dat hij zijn vijanden kon vergeven en liefhebben. Hij was dus een man naar Gods hart, een geliefde koning. Met zijn opvolgers was het helaas veel minder positief gesteld. Daarom bleef Israël uitkijken naar een koning die zou opkomen voor de misdeelden, recht zou doen aan de minsten der zijnen. Redder zou zijn voor de arme, een vriend voor hem die niemand heeft.

In Messias Jezus, zoon van David, zien wij dat koningschap naar Gods bedoelingen ten voeten uit. Deze koning geeft inderdaad alle macht uit handen. Hij achtte zich daadwerkelijk de minste van zijn broeders en zusters, en waste zijn leerlingen de voeten. Hij raakte niet uitgepraat over het koninkrijk van God: het visioen van een wereld waarin iedereen de plaats zou krijgen die hem toekwam. Het koninkrijk van God als zaad in de akker gezaaid; waar niet alles, maar wel heel veel tot volle rijping zou komen. Het koninkrijk van God als een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een boom waarin plaats is voor vogels van diverse pluimage, behalve voor de haantjes die altijd maar victorie kraaien. Het koninkrijk van God als een bruiloft waar de genodigden het massaal laten afweten, hun plaatsen worden echter met plezier ingenomen door zwervers, bedelaars, flierefluiters en andere mensen van de straat. Jezus’ hart was er vol van. Het zou gaan om een koninkrijk van waarheid, heiligheid en liefde, recht en gerechtigheid, een koninkrijk van vrede. Voor dat koninkrijk liep Jezus warm. Hij had er zelfs zijn leven voor over.

‘Toen Jezus aan het kruis hing, stond het volk toe te kijken’. De overheidspersonen lachten Hem uit, en de soldaten spotten met Hem: ‘Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf’. Een beetje koning zorgde immers in eerste instantie eerst voor zichzelf. Als het waar is wat ze van Hem zeggen, laat Hij dan nu eens voor zichzelf een wondertje doen. Het ene misverstand na het andere: van het koninkrijk dat Jezus predikte, is bij deze mensen niets overgekomen.
Of het moet de goede moordenaar aan het kruis zijn? Met Jezus werden er namelijk nog twee anderen gekruisigd: opstandelingen tegen de bezettende Romeinse macht; terroristen zouden we nu zeggen. Eén van hen lachte en spotte met de overheidspersonen en soldaten mee; ook hij had er niets van begrepen. Maar de andere gedroeg zich heel anders: hij nam niet zoals de anderen het woord ‘koning’ in de mond, maar sprak net als Jezus altijd deed over het ‘koninkrijk van God’. Als vrijheidsstrijder had hij verkeerde middelen gebruikt, dat zag hij nu wel in. Maar de idealen die hij had nagestreefd, lagen in de lijn van Jezus’ visioenen. Daarom kon hij uit de grond van zijn hart ook zeggen: ‘Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt’. En Jezus antwoordde: ‘Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs’. De allereerste heiligverklaring die ooit werd uitgesproken.

Als gekruisigde was Hij nog begaan met het lot van anderen. Koning Jezus heeft niet zichzelf, maar anderen willen redden. Daarom heeft God Hem hoog verheven, en Hem de naam verleend, die boven alle namen is: Jezus Messias. Paulus noemt Hem daarom ‘beeld van de onzichtbare God’, ‘eerstgeborene van heel de schepping’ en ‘hoofd van het lichaam dat de kerk is’. Zijn liefde blijft. Het is aan ons om van die liefde te getuigen, in woord en daad, totdat Hij komt.

Amen.
© 2016 Sandor Koppers