Home » Preekarchief » preken 2016 » 24 juli 2016

24 juli 2016

OVERWEGING ZEVENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 24 JULI 2016
(Gen. 18,20-32 en Lc. 11,1-13)(C)

Hoe zal het gesteld zijn met uw en mijn gebedsleven? Is het niet meer dan een afgeraffeld Onze Vadertje of een Weesgegroetje voor of na het eten? Of zijn wij als moderne mensen toch nog in staat om echt daadwerkelijk in ons gebed een relatie met God te leggen? Bidden vinden veel mensen moeilijk als je hen ernaar vraagt. Het schiet er vaak bij in, zeggen ze dan. En als we het doen heeft het soms wel wat weg van altijd maar vragen, vragen en vragen. Wat betreft dat laatste bevinden wij ons in goed gezelschap. We hoorden zojuist een paar voorbeelden van aanhoudend of anders gezegd zeurderig gebed: Abraham die op een bijna uitdagende, brutale wijze met God onderhandelt over het lot van Sodom, die durft af te dingen van vijftig tot tien rechtvaardigen. En God die dat helemaal niet erg lijkt te vinden. ‘Vraagt, en u zal gegeven worden’, zegt Jezus daarom tegen zijn leerlingen over zijn Vader. Wij hoeven dus niet bang te zijn op de Vader, op God een beroep te doen. God de Vader is als een vriend die luistert naar de hulpbehoevende midden in de nacht.

En als we het evangelie goed lezen gaan belangrijke momenten in Jezus’ leven ook steeds gepaard met gebed tot de hemelse Vader: bij zijn doopsel in de Jordaan, bij de keuze van de twaalf apostelen, bij de belijdenis van Petrus en bij de verheerlijking op de berg Tabor. Maar ook na de eerste dag van zijn optreden in Kafarnaüm, stond Hij zeer vroeg op, het was eigenlijk nog nacht, en ging naar een eenzame plek om daar te bidden.

Lucas legt heel veel nadruk op het bidden van Jezus. En wie zijn beschrijving van het leven van de eerste christengemeente in het boek der Handelingen leest, krijgt de indruk dat de eerste christenen werkelijk een biddende groep mensen was. We lezen het zo: ‘Zij legden zich ernstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood én het gebed…’. . Dit leven van die eerste christenen moet Lucas zó diep getroffen hebben, zó diep geraakt hebben, dat hij er maar één verklaring voor kon vinden: het is de Geest van Jezus die daadwerkelijk voortleeft in die groep mensen, in die gemeenschap.

En het schijnt dat die eerste christenen betrekkelijk weinig vast omschreven gebeden hadden. Zelfs zo sterk dat zij door tijdgenoten voor atheïsten werden uitgemaakt. En over dat bidden van de Geest doet Paulus een merkwaardige uitspraak: ‘Wij weten niet eens wat wij moeten bidden’, zegt hij, ‘maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’. Dat is opmerkelijk want Paulus wist als jood haarfijn hoeveel en wat hij moest bidden: dat was tot in de puntjes vastgesteld. Maar nu hij christen was geworden, wist hij het niet meer! Hij heeft alleen nog maar de Geest. Maar de Geest is geen bezit. De Geest is als de levensadem, geheel en al geschenk, vrij, die waait waar Hij wil.

En dan noemt Jezus God ‘Abba’, ‘Vader’. Of eigenlijk beter vertaald ‘pappie’. Een koosnaam die je alleen aan je allerintiemste geliefden kunt geven. En wij mogen die allerliefste naam gebruiken. En Jezus geeft ons zijn leerlingen de raad om juist daarom te blijven bidden, midden in de nacht te blijven kloppen als die lastige vriend, of als die weduwe die zó lang blijft zaniken tot de rechter haar gelijk geeft om van haar af te zijn. Dat doet Hij omdat Hij weet heeft van de goedheid van God. Dat God als een goede Vader naar ons luistert, dat wij ons hart bij Hem kunnen uitstorten als we in de problemen zitten of te maken hebben met ziekte of tegenslag. Want als wij mensen elkaar al terwille zijn, al is om eindelijk van iemands eeuwige gezeur en gezanik af te komen, zou onze Vader in de hemel ons dan niet verhoren en naar ons luisteren en ons zijn heilige Geest geven?
Want wie bidt om de Geest, wordt daadwerkelijk vervuld van die Geest. En dat gebed mag dan vrijmoedig zijn, mag dan brutaal zijn, maar zowel Abraham noch de vriend in de parabel van Jezus vragen iets voor zichzelf. Ze vragen steeds wat voor een ander: Abraham wil Lot en zijn familie, en indirect de hele stad Sodom redden. En de vriend vraagt om brood voor zijn gast. Het gaat Abraham om gerechtigheid, dat het goede het kwaad zal overwinnen. En in het Onze Vader is ons biddend vragen eveneens gericht op gerechtigheid in de wereld.

Het gebed mag dus brutaal zijn, maar niet vrijblijvend. Bidden tot God ontslaat een mens nooit van zijn eigen verantwoordelijkheid. De vriend gaat natuurlijk wel in het holst van de nacht op pad en doet wat hij kan. Abraham gaat wel tot het uiterste in zijn onbeschaamde aandringen. En hij is niet alleen een vrijmoedig bidder, maar ook iemand die ‘zich aan de weg van de Eeuwige houdt door recht en gerechtigheid te doen’, die met andere woorden een goed mens was. ‘Vraagt en u zal gegeven worden’, zegt Jezus , op voorwaarde dat wij de Vader om de heilige Geest vragen. Want wie bidt om de Geest, wordt vervuld van de gezindheid van God, van Jezus zelf. Daarom stemmen wij ons in het Onze Vader ook allereerst af op wat God wil: ‘Uw Naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede’. Daarna mogen wij vrijuit bidden om brood, om vergeving, om bevrijding. Want God is goed, Hij heeft een goedheid die zoveel groter is dan de goedheid van mensen. Als mensen al ingaan op een aanhoudende vraag, vaak om erg menselijke motieven, hoeveel te meer dan God.

Lucas legt dus een geweldige nadruk op de rol van de heilige Geest. Jezus wordt vanaf zijn geboorte als de Messias erkend door mensen die vervuld zijn van de Geest. En verder vervult Jezus zijn zending in de kracht van de Geest en zó zullen zijn leerlingen het ook doen! Ook als Hij er niet meer is, blijft Jezus in de Geest bij hen aanwezig, als wij er maar om vragen!

Amen
© 2016 Sandor Koppers