Home » Preekarchief » preken 2016 » 27 maart 2016

27 maart 2016

OVERWEGING HOOGFEEST VAN PASEN,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 27 MAART 2016
(Hand. 10,34a.37-43 en Joh. 2,1-9)(C)

Het was een turbulente week, de Goede Week van 2016. Hert begon dinsdagmorgen vroeg toen drie terroristen bommen tot ontploffing brachten op het vliegveld en in een metrostation van Brussel. Tijdens de drukke ochtendspits! En het had geloof ik nog erger kunnen zijn. Tot op heden 31 doden, waaronder drie Nederlanders.

Ondertussen was er ook een zware explosie in een voetbalstadion in Irak, met eveneens tientallen doden. En ja, toen overleed op donderdagmorgen mijn held, maar ook de held van velen: Johan Cruijff. Door Johan voelde je je trots dat je Amsterdammer bent! En ofschoon ik als kind nooit een stap in Betondorp had gezet, behalve dan in het stadion aan de overkant van de Middenweg natuurlijk, was hij een van ons. Of kan ik het beter omdraaien? Hij met zijn onnavolgbare taalgebruik, zijn sublieme inzicht. Hij was zo snel. Ik kon hem op de tv nooit bijhouden! En nu is hij er niet meer.

En zo zijn er vele mensen deze week overleden. Sommige mensen na een lange strijd, moe en versleten, en sommige plotseling nietsvermoedend wachtend bij de incheckbalie van een vliegveld of staand in een drukke metro, of kijkend naar een voetbalwedstrijd. De dood is nooit ver weg. En hij treft iedereen. En we hebben er altijd moeite mee. We hebben moeite met de dood, we hebben moeite met de duisternis. Dit oergegeven staat eigenlijk centraal vannacht (vandaag). Vandaag (gisteren) lazen we verhalen die gekenmerkt worden door dood en duisternis. En het was een constant uitzien naar de morgen. Kwam die morgen maar, waarom duurt het zolang? Aan het scheppingsverhaal leek geen einde te komen: ‘Zo werd het avond en morgen, de eerste, de tweede, derde…dag’, klonk het telkens. En het was pikdonker toen de Israëlieten wegtrokken uit Egypte, het intens donkere, gitzwarte slavenhuis. Maar God ging voor hen uit, ’s nachts in een vuurzuil, om hun licht te zijn (de paaskaars, die als een vuurzuil zojuist het donkere kerkgebouw in werd gedragen herinnert ons daaraan). ‘Tegen de morgenwake richtte de Heer zijn blikken vanuit de wolkkolom en de vuurzuil op de legermacht van de Egyptenaren en bracht ze in verwarring’, hoorden we. De Israëlieten trokken droogvoets door de zee heen, hun vrijheid tegemoet. De nieuwe dag tegemoet.

En ‘op de eerste dag van de week gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar het graf met de welriekende kruiden die ze klaargemaakt hadden’. Ze waren vervuld van doodsgedachten: zij wilden het lijk van Jezus gaan balsemen. Maar in het graf, op de plek van de dood, wordt hun het leven aangekondigd: ‘Hij is niet hier. Hij is verrezen’. En zo hoorden wij drie nachtverhalen: de nacht van de schepping, de nacht van de uittocht en de nacht van Pasen. Drie verhalen over hoe je de nacht doorkomt en over het uitzien naar de morgen. Verhalen tegen de dood!

En verhalen zijn maar verhalen. Het kan natuurlijk een geweldige grap zijn. En stel dat deze verhalen inderdaad maar een grap zijn. Een slavenvolk ontkomen door een zee van ellende, de slavendrijvers verdronken. En als verzopen katten staan Mozes en de zijnen aan de overkant een vreugdedansje te maken over hun bevrijding. Of een grap over een leeg graf, vroeg in de morgen. Natuurlijk hoor je dan meteen dat zijn vrienden het lichaam van Jezus wel gestolen zullen hebben. Maar kijk en luister dan naar die vrienden van Jezus: ze hebben geen lijk in hun midden! Neen, zij vieren het leven rondom brood en wijn. En ze hebben elkaar, zo hebben ze Jezus de Levende in hun midden. Dit is geen grapje meer, dit is een groot uur WIJ. WIJ samen tegen de dood, tegen de nietsontziende blinde haat van terroristen, tegen de zinloosheid dood, geweld en oorlog. Wij samen uitziende naar de morgen.

Zalig Pasen!
© 2016 Sandor Koppers