Home » Preekarchief » preken 2016 » 6 november 2016

6 november 2016

OVERWEGING TWEEENDERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 6 NOVEMBER 2016
(2 Makk.7,1-2.9-14 en Lc. 20,27-38)(C)

Als jezelf gewoon goed gezond bent, en je leeft te midden van mensen die ook niet ziek zijn, denk je eigenlijk niet zo vaak aan de dood. Waarom zou je ook? Het leven vraagt immers alle aandacht, en daar heb je je handen vol aan. Maar dan sterft er plotseling iemand in je familie: een van je ouders, een broer of zus, je levenspartner, een goede vriend of een klasgenoot. Dan word je tegen wil en dank gedwongen over de dood na te denken. En dan komen er allerlei vragen in je op. Waar is oma nu? Zou ik na de dood mijn man terugzien? Hoe kan dat nu: gisteren zat hij nog bij ons in de klas, en vandaag is hij er ineens niet meer? Als we zelf in eigen kring met de dood geconfronteerd worden, stellen we de eeuwige vraag: is er leven na de dood, of is met de dood alles afgelopen?

Diezelfde vragen leefden natuurlijk ook in de tijd van Jezus. We hoorden daar uitvoerig over in het evangelie van vandaag. Daarin zagen we dat de Sadduceeën de verrijzenis afwezen met een beroep op Mozes en dat met een bespottelijke redenering wilden onderbouwen, want als de mensen werkelijk zouden verrijzen, zo stelden zij, dan zou dat namelijk tot onmogelijke situaties kunnen leiden in het hiernamaals. Iemand zou dan in hun voorbeeld met ik weet niet hoeveel mensen tegelijk getrouwd zijn! En dat kan natuurlijk helemaal niet.

Maar Jezus wijst deze logica als niet ter zake doend van de hand. Toch is de twijfel van die tegenstanders van Jezus niet eens zo vreemd. Want als wij eerlijk zijn: is er nooit iemand die twijfelt aan een leven na de dood? We leven immers in een tijd waarin we op de eerste plaats gericht zijn op alles wat te bewijzen is, wat tastbaar en controleerbaar is. En kom dan maar eens aan met een leven na de dood. Met elke dag rijstepap eten met gouden lepeltjes en bordjes. We kunnen er eigenlijk helemaal niets over zeggen, maar erover zwijgen kunnen we ook niet. Zo was er ooit eens een dominee in het nieuws die een boek had geschreven waarin hij voor de lezers bekende dat hij eigenlijk nergens in geloofde; noch in de bijbel noch in God: hij noemde zichzelf atheïst. Ik vrees dat het met de carrière van die man in die kerk daarna snel afgelopen was. Maar wat hij verwoordde zal ongetwijfeld door veel mensen binnen en buiten de kerken herkend zijn en herkend worden. Want ja, het is natuurlijk ook heel moeilijk een leven na de dood. En je kunt het natuurlijk ook snel belachelijk maken.

Jezus gaat daarom ook helemaal niet in op die bespottelijke vraag. Wat Hij zegt, komt er eigenlijk op neer dat we ons geen voorstelling kunnen maken van het leven hierna, en dat we dat ook maar beter niet moeten proberen. Wat Hij wel zegt is dit: dat na de dood, alles anders zal zijn. Hoe? Dat weet God alleen. De overledenen zijn ‘als engelen’, zegt Hij. En bij engelen is geen verschil tussen mannen en vrouwen. Het leven in het hiernamaals kunnen wij niet vatten in woorden en begrippen die wij kennen uit ons dagelijks leven. Want in die andere wereld gelden andere wetten. En ook heeft Hij het over ‘kinderen van God’, een beeld dat duidt op geborgenheid en veiligheid.

Het is dus het vertrouwen waarop het geloof van Jezus in de verrijzenis steunt. Het vertrouwen in de God van de Uittocht, in de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, die ook de God van Jezus is, en die onze God wil zijn. Die God die geen enkele mens wil laten verdwijnen in het absolute niets. Die God is een God van levenden is en niet van doden. En Hij heeft onze namen geschreven in de palm van zijn hand.

En dat moet uiteindelijk toch ook een God van de gerechtigheid zijn. Die het goede beloont en het slechte bestraft. We hoorden die verwachting ook in de eerste lezing klinken uit de mond van de gemartelde Makkabeese broers wanneer een van de broers tegen de martelende tiran zegt: ‘Voor u echter zal geen verrijzenis tot een nieuw leven zijn’. Zoiets van ‘boontje komt om zijn loontje’.

Dus hoe het zal zijn voor de goede mensen, hoe zij zullen worden beloond? Niemand die het weet! Ook Jezus lijkt in het evangelie te spreken in beelden: ‘Zij die waardig gekeurd zijn deel te krijgen aan de andere wereld, kunnen immers niet meer sterven omdat zij als engelen zijn; en als kinderen van de verrijzenis zijn zij kinderen van God’. Mooie beelden, maar uiteindelijk heeft geen oog het gezien en geen oor het gehoord.

En als wij dadelijk ons geloof belijden, dan zeggen we: ‘Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk’. Grote woorden wellicht, maar ook woorden die je kunnen ontroeren en troosten. Dat God geen God van doden is, maar een God van levenden. Hij, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Hij, de God die Jezus uit de dood heeft doen opstaan. Hij, die God is van u en van mij, van ons allen. Hij zal ook ons uit de dood doen verrijzen. Want zo zijn Jezus’ woorden en daar houden wij ons maar aan vast.

Amen.
© 2016 Sandor Koppers