Home » Preekarchief » preken 2016 » 7 februari 2016

7 februari 2016

OVERWEGING VIJFDE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 7 FEBRUARI 2016

(Jes. 6,1-2a.3-8 en Lc. 5,1-11)(C)

‘Heilig, heilig, heilig!’, roepen de serafs in de hemel. We krijgen een visioen over God gesitueerd in de tempel vol rook en vuur. En Gods Naam is alleen al heilig. Heilig, afgescheiden, zuiver, onbevlekt – wij mensen kunnen niet in zijn nabijheid komen. God is geheel anders. We komen woorden tekort om Hem te omschrijven, maar God is ook gerechtigheid en trouw. En konden wij maar daaraan tippen? En dat kunnen wij niet. Vandaar dat Jesaja zich ook bewust werd van zijn ontoereikendheid en een symbolisch reinigingsritueel onderging. Want God is zo groot daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken. Maar toch komt God wel in ons leven! De heilige God daalt toch neer – Hij wil ‘vriend van de mensen’ zijn, zoals de orthodoxe liturgie het zegt.

‘Vriend van de mensen’ zijn. Maar hoe kan dat terwijl er zo’n afstand is tussen God en ons? Wij kunnen toch niet aan zijn heiligheid en gerechtigheid tippen? In de lezingen komen we twee figuren tegen die dat inderdaad zo beseffen: Jesaja en Simon. Jesaja horen we zeggen: ‘Ik ben een mens met onreine lippen en ik woon te midden van een volk met onreine lippen’. En Simon schreeuwt bijna: ‘Heer, ga van mij weg want ik ben een zondig mens’. Het zijn dus twee armzalige individuen die de grootheid en majesteit van God tegenkomen. En ze beseffen dat ze God niet aankunnen. Dat lezen we in de woorden ‘ontzetting had zich meester gemaakt van hem’.

Wat we dit weekend dus moeten leren is het geheel anders zijn van God. Het heilig zijn van God en de afstand tussen Hem en ons. Simon getuigt van deze ‘vreze des Heren’. De ‘vreze des Heren’ is een van de zeven gaven van de Heilige Geest. Wijsheid, kennis, geloof, genezing, wonderen verrichten, profeteren én onderscheidingsvermogen hebben, dus de gave om te kunnen onderscheiden wat al dan niet van de Geest afkomstig is en het kunnen vaststellen of een boodschap, mens of gebeurtenis al dan niet werkelijk van Hem afkomstig is. En daarvan is bij Simon sprake want hij beseft met wie hij te maken heeft, hij onderscheidt met wie hij te maken heeft, bij het wonder van de wonderbare visvangst. Hij beseft hoe groot de afstand is tussen de Schepper en zijn schepsel: ‘Hij is God, er is geen ander!’.

Het is overigens nu niet de bedoeling dat wij bang worden voor God. Want angst voor God komt voort uit een verkeerd Godsbeeld, vaak veroorzaakt door de straffende hand van onze vader. De vrees voor God is iets heel anders. Het heeft te maken met het besef van de eigen zondigheid, het eigen tekortschieten. Vreze des Heren leidt dus tot bescheidenheid en zelfkennis, zonder in angst te verzakken. Precies zoals we dat zagen in de lezingen van vandaag. Er was geen angst bij Jesaja en Simon. Simon zei niet ‘Ga weg’ omdat hij bang was voor Jezus, maar omdat hij zichzelf onwaardig voelde. ‘Wie ben ik dat Gij onder mijn dak komt?’. Die bescheidenheid en zelfkennis, dat zijn de wezenlijke onderdelen van de ‘vreze des Heren’.

Je zou het dan ook niet verwachten dat een God die zo heilig en onbevlekt is ‘vriend van de mensen’ wil zijn en ons nabij wil komen. En dat Hij die tekortschietende mensen nog inschakelt ook! Want ondanks hun geheide falen en tekortschieten worden Jesaja en Simon en zijn vrienden toch geroepen. ‘Wie moet Ik zenden?’, vraagt de Heer aan Jesaja en Jesaja geeft het goede antwoord: ‘Hier ben ik, zend mij’. En in het evangelie wordt Simon door Jezus geroepen om in plaats van vissen voortaan mensen te vangen.

Maar eerst was er dus die ervaring bij Jesaja en bij Simon van de heiligheid van God. Eerst was er het inzicht dat hetgeen zij moesten verkondigen hen volledig te boven zou gaan, dat ieder Woord van God dat zij zouden moeten doorgeven met beven zou moeten worden uitgesproken. Omdat ze besef hadden van hun eigen kleinheid waren zij pas geschikt om in Gods dienst te treden. Simon Petrus maakt dat hier mee bij de wonderbare visvangst. Hij heet nu plotseling Simon Petrus. Die naam verdient hij eigenlijk pas helemaal aan het eind, wanneer hij door schade en schande ervaren heeft dat Jezus hem ondanks zijn fouten niet afwijst. Ondanks zijn zondigheid wordt hij niet afgewezen. Jezus zal hem helemaal aan het eind slechts één vraag stellen: ‘Simon, heb je Mij lief?’. Hij vraagt Simon die Jezus driemaal verloochend heeft of hij van Hem houdt. Die vraag moet hij drie keer beantwoorden en dan is Petrus klaar om de heilige Geest voor zijn zending als apostel te ontvangen.

Misschien dat wij zouden moeten wensen dat wij ook de ervaring van Gods grootheid ondergaan. En dat de ervaring van onze eigen gebrokenheid geen een obstakel is om ook gezonden te worden in onze wereld. Niet weglopen dus, maar vervuld van de vreze des Heren met Jesaja zeggen: ‘Hier ben ik, zend mij!’. Ook al is er gebrokenheid in ons.

Amen.
© 2016 Sandor Koppers