Home » Preekarchief » Preken 2017 » 10 december 2017

10 december 2017

OVERWEGING TWEEDE ZONDAG VAN DE ADVENT,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 10 DECEMBER 2017
(Jes. 40,1-5.9-11 en Mc. 1,1-8)(B)

Iemand die iets plechtigs en belangrijks wil aankondigen zal altijd zijn uiterste best doen om met een zo pakkend mogelijke openingszin te beginnen. Zoiets dergelijks zien we vandaag ook bij de openingszin van het evangelie van Marcus: ‘Begin van de blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God’. Hij moest ervoor zorgen meteen de aandacht te trekken, vandaar dat hij aanhaakte bij een eerste zin uit een boek dat hij ook goed kende. Het boek van de schepping: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde’. Om nu duidelijk te maken dat met die Jezus een nieuwe schepping was begonnen en dat dit verhaal van God met de mensen met de komst van Jezus een nieuw tijdperk was binnengetreden. Het tijdperk van de blijde Boodschap.

We kunnen dus vaststellen dat Marcus de komst van Christus als een ommekeer beschouwde. Als richtinggevend voor alle mensen. Waarom een ommekeer, waarom richtinggevend? Om te beginnen omdat hij daar zelf van overtuigd was geraakt. Hij geloofde daar heilig in. Maar hij vond ook dat dit verhaal de moeite waard was voor meerdere mensen, ja voor alle mensen. Als we kijken naar dit evangelie dan valt in eerste instantie de spreektaal op. Het is geschreven in makkelijk toegankelijke taal. Het lijkt ook wel een beetje of Marcus het verhaal tussen de bedrijven door heeft opgeschreven: het is een beetje hak-op-de-tak werk. Er zit niet zo’n vloeiende lijn in zoals je die ziet bij de latere evangelies. En het is hoogstwaarschijnlijk vlak na de brand van Rome geschreven. De brand die door keizer Nero zelf is aangestoken, maar waarvan de christenen de schuld kregen. In deze chaotische en angstige tijd, waarin christenen hun leven niet veilig waren, moet Marcus de behoefte hebben gehad om snel de belangrijkste gebeurtenissen, de belangrijkste voorvallen uit het leven van Jezus op te schrijven. Om ze vast te leggen voor het nageslacht.

In zijn evangelie probeert hij dus duidelijk te maken waarom er volgens hem sprake is van een ommekeer, waarom er sprake is van een zo fundamentele verandering. Om dat duidelijk te maken gebruikt hij grote woorden: ‘Blijde Boodschap van Jezus, Christus, Zoon van God’. Drie namen dus: Jezus, Christus, Zoon van God. Dat zijn de woorden waar het hele evangelie om draait. Hij valt hier met de deur in huis. Maar hij wil zijn hele evangelie gebruiken om de mensen, de lezers, tot hetzelfde inzicht te brengen. Er schuilt dus een soort geloofstraject in: een weg die je als lezers, als leerling, moet volgen om tot de volledige kennis van de persoon van Jezus Christus te komen.

Om te beginnen Jezus. Dat is de naam die zijn ouders Jozef en Maria Hem gaven op aanwijzing van de engel Gabriël. De naam Jezus betekent ‘God redt’. Het was een naam die wel meer joodse jongens hadden. Maar Hij kreeg ook nog een tweede, veel belangrijkere naam: Christus. Dat wil zeggen: ‘Gezalfde’, ‘Messias’. Om daarmee aan te duiden dat Jezus de langverwachte was, degene naar wie heel het volk al eeuwen uitzag. En tenslotte voegde Marcus er nog een derde naam aan toe: ‘Zoon van God’. Deze naam kreeg Jezus eigenlijk pas na zijn verrijzenis. Want het is een geloofsuitspraak bij uitstek: het is eigenlijk het eindresultaat van het geloofstraject dat de leerlingen van Jezus hadden afgelegd. In de tijd waarin Marcus zijn evangelie schreef – zo’n dertig jaar na Jezus’ dood – waren de leerlingen al zover dat zij hun geloof in Jezus uit wilden drukken met de woorden ‘Zoon van God’. En in deze ene zin – ‘Begin van de blijde Boodschap van Jezus Christus, Zoon van God’ verwoordt Marcus dus al het totale program van zijn evangelie: het erkennen wie Jezus is!
Wie is Jezus? Waarom is er nu sprake van een ommekeer? Waarom een fundamentele verandering? Omdat er sprake is van een nieuw begin! Midden in de mensengeschiedenis, met al zijn falen en feilen, verschijnt de blijde Boodschap van het evangelie. Verschijnt Jezus op het toneel. En er gaan uiteindelijk acht hoofdstukken overheen alvorens Petrus zou zeggen: ‘Gij zijt de Christus’. En pas in hoofdstuk vijftien zou een Romeinse officier, toen hij de gekruisigde Jezus zag, kunnen zeggen: ‘Waarlijk, deze mens was de Zoon van God’. Het duurde dus hoofdstukken en hoofdstukken voordat het kwartje uiteindelijk viel. Voordat de groep die om Jezus heen zweefde tot dit credo kon komen. En wat Marcus met zijn evangelie wil is dat zijn lezers al lezend en overwegend tot datzelfde geloofsinzicht zullen komen. Dat zij datzelfde geloofstraject zullen afleggen. Dat zij zullen ontdekken dat de blijde Boodschap inderdaad een troostende boodschap is: ‘Troost u, uw God is op komst’.

Nu zullen veel mensen in onze tijd zeggen dat ze daar niet op zitten te wachten. Voor hen is het christendom en de kerk iets van het museum of van een vakantie in Frankrijk. Het heeft geen persoonlijke waarde. Maar wat denkt u: had de blijde boodschap dan wel zoveel waarde voor de mensen die leefden in de tijd waarin Marcus zijn evangelie opschreef? Ook niet! Maar wat was op een gegeven moment dan wel doorslaggevend? Wat was op een gegeven moment dan wel van betekenis? Dat was het gedrag van dat kleine groepje ongeletterde christenen. Dat was hun handel en wandel. Hun gedrag, datgene wat zij deden was zo anders dat het uiteindelijk opviel en uit zichzelf aantrekkingskracht ging uitoefenen Zo ontfermden christenen zich over de te vondeling gelegde zuigelingen. Volgens het Romeins recht mocht een vader een kind dat hem niet aanstond omdat het bijvoorbeeld gehandicapt was buiten de stadspoort achterlaten alwaar het kind een gewisse dood zou sterven. De christenen ontfermden zich over die kinderen vanuit hun kijk op de mens: elke mens is beeld van God en is daarom de moeite waard. Dit gedrag van die eerste christenen en er zijn nog andere voorbeelden te geven maakte dat de wereld ontvankelijker werd voor de blijde boodschap.

En ook in onze wereld klinken de woorden: ‘Troost u, de Heer komt!’. Wij leven niet in een godverlaten wereld, en God laat ons niet aan ons lot over, God draagt zorg voor ieder van ons en voor heel de wereld. Wij zijn in goede handen. God laat de wereld niet aan haar lot over, Hij komt zelf om de wereld te redden. Maar om dat de wereld te laten zien en te laten geloven zouden wij levende reclamezuilen moeten zijn van dit geloof en van deze hoop. Ons handelen moet anderen nieuwsgiering maken naar wat wij geloven. Daartoe zullen we zelf ook moeten groeien in geloof, dat we Jezus leren zien als de Christus en als de Zoon van God.

Amen.
© 2017 Sandor Koppers