Home » Preekarchief » Preken 2017 » 14 mei 2017

14 mei 2017

OVERWEGING VIJFDE ZONDAG VAN PASEN,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 14 MEI 2017
(Hand. 6,1-7 en Joh. 14,1-12)(A)

Vorige week vierden wij roepingenzondag. Toen hoorden wij dat het ‘brengen bij Jezus’ tot de kern van de roeping van elke christen hoort, in het bijzonder natuurlijk bij de priesters. Zij moeten er vooral voor zorgen dat de mensen, de zoekende mens met al zijn vragen en zorgen, bij Jezus kan komen. En de plek waarin dat gebeurt is voornamelijk de Kerk. Maar ja, de Kerk is ook mensenwerk. En alles wat er gebeurt, alles wat de priesters doen, is ook niet altijd goed en heeft zeker ook niet altijd met God van doen. Op die momenten kunnen we vaststellen dat priesters de mensen juist niet bij Jezus brengen, maar hen op een dwaalspoor zetten weg van Jezus. Dat is helemaal fout natuurlijk.

Maar het is wel een realiteit. De Kerk zendt helaas altijd een gemengde boodschap uit: een goede en een minder goede. Maar toch is de Kerk in de katholieke theologie bestemd om Gods roemruchte daden te verkondigen, de Kerk is een koninklijk priesterschap. En elk moment, elke situatie waarop de Kerk in de personen van bisschoppen en priesters en andere christenen handelen vanuit God, toont de Kerk ook wie God, wie Jezus is, en helpt zij de mensen dus op weg naar Hem, op weg naar Jezus. En dat is goed natuurlijk, zeer goed.

En dan is er die vraag van Filippus in het evangelie. ‘Toon ons de Vader’ zegt hij tegen Jezus. Deze vraag geeft ons een blik op wat misschien wel eens het diepste verlangen van de mensheid zou kunnen zijn: het verlangen bij God te zijn, een verlangen naar volmaakt geluk, naar niets meer nodig hebben en waarvan mensen aanvoelen dat dat pas vervuld kan worden in de gemeenschap met de hemelse Vader. Wie wil dat niet? Het is dus de vraag hoe daar te komen?

Overtuigde christenen zullen zeggen en geloven: door Jezus! Alleen door Jezus kunnen wij bij de Vader komen en volmaakt geluk vinden. Maar die Jezus dat is alweer zo lang geleden. Wij kunnen Hem niet meer zien. De tijd van zijn aardse leven is lang voorbij. Jezus zien, zoals de eerste leerlingen is voor ons niet meer weggelegd. Maar toch kunnen wij Hem nog steeds leren kennen en ontmoeten, op een indirecte, sacramentele wijze. Daarvoor heeft Hij ons de Kerk nagelaten. Want ook de Kerk is sacrament: een teken van Gods aanwezigheid onder ons mensen. En als het goed is gebeuren er vooral mooie dingen in die Kerk. Zelfs zo mooi dat mensen daardoor geïnspireerd worden en nieuwsgierig worden om er ook bij te horen en zodoende de weg te leren volgen om bij Jezus te komen.

Waar gaat het dan om? Om de levenswandel te leren kennen die God van ons vraagt. In de Bergrede heeft Jezus het over de keuze waar elke mens voor staat: bewandel je de brede menselijke wegen (de wegen van succes, macht en geld) of bewandel je de smalle weg naar God? En als het goed is weten wij dat de weg van Jezus de weg is van de liefde.

Want Jezus is onze levensweg geworden. Deze levensweg is in principe vaak onoverzichtelijk en wordt vaak ook bepaald door onze verlangens, door conflicten met mensen om ons heen, door onze hartstochten. We leggen deze weg gezamenlijk af en soms alleen. Zo zijn wij op weg. En helpen wij anderen op weg of houden hen op de weg.

Maar helaas: de weg waar alles om draait, staat niet op onze landkaarten aangegeven. Zelfs de Tien Geboden, de Tien Woorden, zijn als gebods- en verbodsborden ontoereikend. In wezen is er maar één weg en dat is Jezus zelf. Wie in geweten zijn weg bewandelt, zal merken op de goede weg te zijn. En als onze levensweg uiteindelijk eindigt in de dood, dan mogen we Jezus houden aan zijn woord: ‘Ik ben de weg. Ik breng je veilig thuis bij mijn hemelse Vader’.

De eerste christenen hadden als bijnaam: ‘Aanhangers van de weg!’. Die naam mag ook onze naam zijn. Een klein, verkreukeld en armzalig vogeltje fladdert in de handen van God. Is dat niet de kern van ons Paasgeloof?

Amen.
© 2017 Sandor Koppers