Home » Preekarchief » Preken 2017 » 24 september 2017

24 september 2017

OVERWEGING VIJFENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 24 SEPTEMBER 2017
(Jes. 55,6-9 en Mt. 20,1-16a)(A)

Afgelopen dinsdag was het weer Prinsjesdag. Na jaren van harde bezuinigingen en loonmatiging is de crisis voorbij en mag er weer geld worden uitgegeven. En voor het eerst sinds jaren mogen de lonen weer omhoog. Sterker nog: ze moeten omhoog om de toegenomen welvaart wat eerlijker onder de mensen te verdelen. De bedrijven maken vaak vette winsten die over het algemeen in de zakken van de ondernemers en beleggers terechtkomen. Nu zouden ook de werkenden ervan moeten gaan profiteren. Wel zo sociaal, zou je zeggen.

Asociaal lijkt het er daarom aan toe te gaan in die weerbarstige parabel over de arbeiders in de wijngaard die wij zojuist hoorden. Het lijkt wel of het evangelie sociale onrechtvaardigheid predikt waarbij de grootgrondbezitter of ondernemer kan doen wat hem goeddunkt, zonder zich aan wet of CAO gebonden te voelen. Want het is toch onbegrijpelijk dat zij die maar één uur hebben gewerkt evenveel krijgen als zij die twaalf uur hebben moeten beulen. Maar toch lijkt het zo hier te staan. Maar wat is er dus aan de hand?

Een wijnbouwer wil zijn oogst binnenhalen. En dat moet heel snel gebeuren, want vanavond gaat het regenen. Dus al bij het ochtendgloren gaat hij naar het plein waar de dagloners staan. Dagloner zijn is een onzeker bestaan. Het zijn de flexwerkers met het nul-uren contract van deze tijd. Kwetsbaar en daardoor bescherming behoevend. En dat krijgen ze ook in de Bijbel, want ‘Wat een dagloner verdient, mag u niet vasthouden tot de volgende ochtend’ staat er in Leviticus. Je zou dus kunnen zeggen: boter bij de vis. En dus beginnen ze vroeg, de dag is lang, maar de oogst is groter, het werk meer dan zij aankunnen. Dus gaat hij weer naar het plein en werft nog meer mensen. En dat gaat een paar keer zo door. Zelfs tot vlak voordat de avond valt, de tijd dringt, want donkere wolken pakken zich samen.

Heeft de wijngaardenier ’s morgens alleen de beste krachten uitgekozen? Sterk en gezond, bomen van kerels. Daarover lezen we niets. En wie heeft hij toen laten staan: de ouderen, de WAO’ers, de invaliden of de asielzoekers? Of had hij die op het laatst toch nog nodig: de zwakken, de kneusjes? Of heeft de wijngaardenier ’s morgens alle arbeiders die er waren ingehuurd? En hadden degenen die hij later vond zich alleen maar verslapen? Er lijkt hoe dan ook meer activiteit uit te gaan van de landheer dan van zijn dagloners. Van hem wordt verteld dat hij hen ziet, zoekt, vindt, aanspreekt, stuurt. Daarbij vergeleken staan de dagloners er maar passief bij: tot driemaal toe wordt vermeld dat ze op de markt ‘staan’. En wat ook opvalt is dat de wijngaardenier niet op zoek is naar bepaalde arbeiders. Hij stelt geen enkele vraag naar hun kwaliteiten, hun staat van dienst of hun cv. Hij ziet, zoekt en vindt ze allemaal ongeacht wie ze zijn.

Maar ondertussen slaan degenen die vanaf ’s morgens vroeg het werk hebben verzet, zichzelf hoger aan dan zij die er op het laatst bij kwamen. De eersten hebben de oudste rechten. De jonkies komen nog maar net kijken, dat soort taal. En dan komt het moment van afrekening. Die er het laatst bij zijn gekomen en maar één uur hebben gewerkt, krijgen elk één denarie. Zij die een halve dag gewerkt hebben, eveneens. En de harde werkers van het eerste uur, die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, met de blaren in hun handen en de vermoeidheid in hun botten, krijgen ook één denarie, en niets extra’s. Het is om razend van te worden.
Blijkbaar heeft de landheer alleen denaries om uit te betalen. Heeft hij niet kleiner en geeft iedereen evenveel.
Het is dus niet een soortement prestatiebeloning dat wordt gehanteerd. Neen, ieder ontvangt evenveel. Het is duidelijk dat geen vakbond daarmee akkoord zal gaan.

Maar waar ging dit verhaal ook alweer over? Over het rijk Gods. En dat rijk Gods dat is nu juist de wereld op z’n kop! ‘Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen’, hoorden we in de eerste lezing. God denkt en handelt anders dan wij, aardse stervelingen. Niet alleen uiterst rechtvaardig – Hij betaalt immers aan de werkers van het eerste uur het salaris dat Hij met hen was overeengekomen -, maar Hij is ook goed en grenzenloos barmhartig, en daarom geeft Hij aan de laatsten hetzelfde als aan de eersten.

Gods gerechtigheid is dan ook geen gecalculeerde, uitgebalanceerde vorm van gerechtigheid of rechtvaardigheid. Eén waarbij alles tot in drie cijfers achter de komma verantwoord is, maar een waarbij alles gratis, voor niets is. Denk aan de parabel van de verloren zoon. En denk aan de parabel die wij vandaag gehoord hebben. Hierin wordt helder gemaakt hoe God met ons omgaat. En daaruit mogen we concluderen dat God van ons allemaal evenveel houdt, niet omdat wij zo hard werken en alles zo goed voor elkaar hebben en vast en zeker bij de werkers van het eerste uur horen, maar zomaar, zoals ouders van hun kinderen kunnen houden, niet omdat ze hard werken, maar zomaar. Ouders kunnen zelfs een voorliefde hebben voor een kind dat helemaal niet in staat is om te werken. Bij God is dat nog veel meer het geval. Dat bedoelde Jezus met deze parabel: bij God geldt genade, niet verdienste. Hij geeft ons geschenken, geen loon. En die geeft Hij aan zowel de mensen van het eerste uur als aan hen die op het nippertje gekomen zijn.

Amen.
© 2017 Sandor Koppers