Home » Preekarchief » preken 2018 » 28 oktober 2018

28 oktober 2018

OVERWEGING DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR, ST. BONIFATIUSPAROCHIE

(Jer. 31,7-9 en Mc. 10,46-52)(B)

Onze tijd heeft het moeilijk met geloof in God. Dat bevestigden de herhaaldelijke onderzoeken en weten we zelf ook. Maar nog meer hebben mensen het moeilijk met de kerken. Daar is zoveel om te doen. Letterlijk en figuurlijk. Er komen zoveel meningen op ons af. Ware en onware verhalen waar een gewoon mens geen weg in weet. De kerken lopen landelijk gezien snel leeg, met uitzondering van Almere natuurlijk en een paar Amsterdamse en andere grootstedelijke parochies. Je moet dus heel goed kijken of je hier nog geloof in God tegenkomt.

Of zouden we in plaats van onze ogen die de lege banken zien, onze oren moeten gebruiken en stil moeten worden of we God horen? Blind durven zijn voor de harde cijfers om de stilte, waarin we God misschien wel zouden kunnen ontmoeten, beter te kunnen horen. De stilte toelaten en zelf stil durven zijn. Wie weet hebben we die stilte wel het meeste nodig in deze tijd en in onze Kerk.

Met onze ogen zien we in principe alleen de buitenkant van een ander. We zien iemand lachen en of huilen, maar zonder geluid erbij weten we niet waarom. En onze cultuur is vooral een tijd van kijken, we leven in een beeldcultuur. De moderne media bestaan vooral uit kleuren en plaatjes. Alles is beeld. Maar God kunnen we tussen al die beelden niet zien. En daarom bestaat Hij niet volgens veel mensen.

Bartimeüs is blind. Maar hoe staat het met zijn gehoor? Is dat niet extra goed ontwikkeld? Nou, hij heeft een vlijmscherp gehoor. Jezus trekt met zijn leerlingen Jericho binnen. Maar, vertelt Marcus, Hij verlaat Jericho eventjes later met een nog grotere groep, een flinke menigte staat er. Een druk pratende menigte omringt Jezus. Het gonst van de stemmen, geluiden, er wordt gelachen, gepraat en misschien wordt er ook nog wel ruzie gemaakt. Een kakofonie van geluiden. Een gewoon iemand zou niet één van al die stemmen kunnen onderscheiden. Maar de blinde Bartimeüs wel! In al dat lawaai van door elkaar pratende mensen hoort hij dat Jezus daarbij was. Niet omdat Jezus harder schreeuwde dan de anderen, maar omdat Hij op een bijzondere manier sprak. En Bartimeüs zegt meteen waarom Jezus op zo’n bijzondere manier sprak door te zeggen wie deze Jezus in zijn ogen is: ‘De zoon van David’, de lang verwachte verlosser, de lang verwachte Messias, degene die het Rijk van God doet aanbreken.

En Bartimeüs wordt er helemaal warm van en schreeuwt zo hard dat omstanders last van hem krijgen en hem toesnauwen dat hij zijn mond moet houden. Bartimeüs moest niet door Jezus heen praten. Maar Bartimeüs laat zich niet de mond snoeren en blijft roepen ‘Zoon van David, heb medelijden met mij’. En juist die woorden verraden hoe het bij hem zit: hij gelooft in Jezus. Hij ziet Hem natuurlijk niet, maar hij hoort in Jezus een stem die hij nog nooit bij iemand anders had gehoord, de stem van God.

De blinde man is niet geïnteresseerd in Jezus, oppervlakkig even kijken wie Hij is. Nee, hij gelooft in Jezus omdat hij Hem gehoord heeft. Daarom roept hij Jezus luidkeels zijn leven binnen. Want hij wil dat Jezus zich zijn leven aantrekt en dat Hij medelijden met hem heeft.

Het verhaal van die blinde Bartimeüs maakt dus een subtiel verschil tussen kijken, al of niet geïnteresseerd, en echt geloven. Zijn we alleen maar geïnteresseerd in Jezus, dan blijft Hij in zekere zin toch aan de buitenkant, zoals bij de gonzende door elkaar heen pratende massa het geval was. Maar geloof je in Hem, dan komt Hij je leven binnen. En dan geef je ook niet op. Dan laat je je niet uit het veld slaan door wat voor tegenslag of tegenwerking dan ook. Geloof vraagt uiteindelijk om soort persoonlijke investering, een bepaald besluit. Geloof vraagt uiteindelijk zeker ook in onze tijd om moed. Om moed om tegen de stroom in te roeien en tegen de mening van anderen in te gaan.

En moed heeft Bartimeüs, want wanneer Jezus stil blijft staan en tegen zijn leerlingen zegt: ‘Roep hem hier!’, legt Bartimeüs alles af wat hij had, zijn bedelaarsmantel en o zo belangrijk voor de koude nachten daar en loopt blindelings op Jezus af. Jezus, de Heer, de Zoon van David, die hij niet eens kon zien, maar wel gehoord had en waardoor hij voelde dat hij bij Jezus moest zijn om beter te worden. En op de vraag wat Jezus voor hem kon doen, riep hij hardgrondig uit: ‘Rabboeni, maak dat ik zien kan!’. We begrijpen nu hopelijk dat de man niet alleen bedoelde, dat hij voortaan kon kijken om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag. Nee, ‘dat ik zien kan’ in de betekenis ‘dat ik ziende word’: laat mij zien wat ik geloofd heb. Laat mij zien in wie ik geloofd heb! En op dat moment worden zijn ogen geopend en wordt hij volgeling van Jezus. Een mens die blind was die daardoor meer en beter hoorde dan de ziende mensen, en die daardoor beter zag, dan de mensen die wel goed hadden kunnen zien.

Geloof komt dus niet voort uit wat we zien of juist niet zien, maar uit wat we horen. Uit de menigte van stemmen om ons heen, worden we geraakt door een unieke stem, de stem van de stilte, de stem van God, de stem die zich niet boven alles uitschreeuwt, de stem die geduldig wacht tot we hem verstaan. En als we die stem verstaan, gaan we onszelf en anderen met andere ogen zien. We worden dan als mensen die voortaan blind zijn voor wat de wereld bezielt en voortdrijft, die blind zijn voor de waan van de dag. En we worden mensen die oog hebben voor waar het werkelijk om gaat en wat werkelijk van waarde is en die daar ook naar willen leven in het voetspoor van Jezus Christus.

Amen.
© 2018 Sandor Koppers