Home » Preekarchief » preken 2018 » 4 maart 2018

4 maart 2018

OVERWEGING DERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Ex. 20,1-17 en Joh. 2,13-25)(B)

In de eerste lezing hoorden we een van de belangrijkste fragmenten uit het Oude Testament: de tekst van de tien geboden. Ook voor het joodse volk had niet elke tekst uit het Oude Testament dezelfde waarde: zo staan de eerste vijf boeken van Mozes qua belang boven de geschriften van de profeten en de profeten weer boven de andere geschriften. Het hoogtepunt van alle gebeurtenissen in het Oude Testament vindt plaats in het tweede boek van de Bijbel, het boek Exodus, waarin verteld wordt hoe God zijn volk bevrijdde uit Egypte, het land van de dood, en hoe Hij met hen een testament, een verbond sloot door hun de tien geboden te geven, de tien woorden die hun de weg naar het ware leven wijzen.

Vorige week stelden wij vast dat wij mensen God niet zomaar van nature kennen. Wat wij van Hem weten, weten we dankzij grote mensen die ons zijn voorgegaan. Abraham leerde de menslievendheid van God kennen toen hij meende dat God kinderoffers van hem vroeg. Na een lange strijd besefte hij dat God geen mensen- of kinderoffer vraagt, maar juist wil dat de mens leeft en gelukkig is. Uiteindelijk zelfs over de dood heen.

Dit godsbeeld heeft vervolgens de geschiedenis van het volk Israël bepaald. God is een God van het leven. Maar wat is het leven waard als er geen vrijheid is? Als een mens niet kan denken en doen wat hij wil? Als een mens niet kan zijn wie hij is? Wat is het leven waard als een mens in angst en uitbuiting moet leven? Als je het zo bekijkt horen leven en vrij zijn bij elkaar. Geen leven zonder vrijheid. Geen echt leven zonder vrijheid.

Maar er kan wel een kanttekening bij gemaakt worden. Want waar er ongebreidelde vrijheid is, is er helaas al gauw misbruik van die vrijheid. Waar er ongebreidelde vrijheid is, geldt al snel het recht van de sterkste. En speelt de een de baas over de ander. Vandaar dat, noem het goddelijke voorzienigheid, de mensen van Israël van God de ‘Tien Woorden’ kregen. Als het ware om de kaders aan te geven waarbinnen dat volk Israël diende te leven. Hoe ze met elkaar om moesten gaan.

De ‘Tien Woorden’ ook wel bekend als de ‘Tien Geboden’. Oppervlakkige lezing deed ons die Woorden vooral lezen als een reeks ge- en verboden, waarop God als een strenge rechter toezicht hield. Menige catechismusles had die insteek: wie zich aan deze regels hield, werd zalig. Maar als we ze op een dergelijke manier lezen en interpreteren, gaan we voorbij aan het feit dat ze onderdeel zijn van een geweldig groot bevrijdingsfeest, een geweldig groot bevrijdingsverhaal. Dat blijkt al uit de belangrijke eerste zin: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis’. Bevrijding. God is de God van de bevrijding en Hij is nu al zo’n tijd met de mensen de weg van de bevrijding gegaan, dat Hij de mensen nog meer aan zich wil binden, in een verbond. In een verbond waarin Hij de mensen ‘richtingwijzers’ of ‘aanwijzingen’ wil geven.

En dan valt op dat de meeste van de Tien Woorden negatief geformuleerd zijn (‘Gij zult niet doden’). Maar ondanks die negatieve formulering hebben ze een positieve bedoeling. Wat wordt er geformuleerd? Een onderste grens, een minimumeis en vooral veel ruimte voor positiviteit. ‘Niet doden’ wil dus ook zeggen: ‘ieder mensenleven tot zijn recht laten komen, volwaardig menselijk leven zoveel mogelijk bevorderen’. En dat altijd weer tegen het licht van die vrijheid, dus geen beknotting, maar het openen van nieuwe mogelijkheden.

Een levensgrote opgave, maar ook een belofte. ‘Gij zult’ betekent immers ook: ‘Zo zal het met u gaan gebeuren, als…’. De Tien Woorden zijn dus het visioen van een rechtvaardige, broederlijke en humane samenleving, die aan ons, mensengemeenschap is toevertrouwd. En daar horen dus regels bij. ‘Pleeg geen echtbreuk’: geef vanuit je vrijheid jezelf in liefde en trouw aan een ander en blijf daar dan bij. ‘Steel niet’, vanuit het licht van de vrijheid gezien betekent dat zoiets als: zorg ervoor dat ieder mens, ieder volk op deze wereld menswaardig leven kan en doe er alles aan wat in jouw mogelijkheden ligt om dat te bevorderen. En ‘leg geen vals getuigenis af’ betekent dan zoiets als: je hebt in vrijheid ja gezegd, blijf dan bij dat ja of als je nee hebt gezegd, blijf dan bij dat nee. Wees consequent en trouw.

Wat betreft consequent zijn en trouw wijst Jezus ons de goede richting. Hij veegt de tempel van Jeruzalem schoon. De tempel is uitgediend, hij moet worden afgebroken en door een andere vervangen. Want het echte Huis van de Vader bestaat in zijn persoon en in de gemeenschap die daarop is gebouwd. De Kerk. Die houding zal Jezus uiteindelijk op het kruis brengen. De tempel van zijn lichaam zal dan dus worden afgebroken en de Vader zal Hem dan drie dagen later ‘doen verrijzen’. Voor die ellende schrok Jezus niet terug, maar Hij aanvaardde dit als consequentie van zijn opdracht in liefde tot het uiterste. En het is aan ons om ook die richting in te slaan.

Die richting inslaan betekent dan ook overgave in vrijheid. Overgave aan God, onze ouders en voorouders. En overgave aan onze medemens, opdat wij die niet afbreken, maar meehelpen opbouwen en hoogachten, desnoods ten koste van eigen ziel en zaligheid. Dus dat kan je de kop kosten, maar daar doorheen en daarna komt licht en leven. Nu en zeker in de toekomst. Wie durft?

Amen.
© 2018 Sandor Koppers