Home » Preekarchief » preken 2018 » 9 december 2018

9 december 2018

OVERWEGING TWEEDE ZONDAG VAN DE ADVENT, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Baruch 5,1-9 en Lc. 3,1-6)(C)
Wij zongen zojuist psalm 126. En daarin zongen we: ‘Wie zaait in droefheid zal oogsten in vreugde. Een mens gaat zijn weg en zaait onder tranen. Zingende keert hij terug met zijn schoven’. Als we het goed lezen zit dit gedicht vol met tegenstellingen: in droefheid zaaien en in vreugde oogsten, zijn weg gaan onder tranen en zingend terugkeren met gevulde schoven. Het is eigenlijk een gedicht met een onverbeterlijk optimisme. Eigenlijk geeft het een beschrijving van bloed dat kruipt waar het niet gaan kan, van een onmogelijke hoop dat ellende, dood en ballingschap niet het laatste woord hebben. Het vertelt ons eigenlijk van een droom, een droom die mensen gaande houdt op moeilijke momenten van hun leven, die mensen inspireert en waartoe zij zich aangetrokken voelen. Op deze tweede zondag van de Advent lezen we van zulke dromen en dromers. En dat is belangrijk. Want ‘zonder visioenen verwildert het volk’, lezen we in het boek der Spreuken. Zonder dromen en visioenen houden mensen het niet vol en is het allemaal grauw en koud en zinloos. Zo had Paulus ooit een droom om de christenen te vervolgen en uit te roeien. Maar onderweg naar Damascus werd hij geroepen tot een andere droom, tot de weg van liefde en gerechtigheid, de weg waarop Jezus hem voorging. En zo horen wij vandaag ook de droom van Johannes dat iedere gelovige vervuld moet zijn van eerbied voor God en dat hij zich vandaag nog moet laten dopen en zich om moet keren om op rechte wegen te gaan.

Deze dromen en visioenen staan te lezen in oude verhalen. En zij vormen de basis van het christelijk geloof. Want dat christelijke geloof, of ik kan beter zeggen het joods-christelijke geloof, is immers gebaseerd op die verhalen, op die dromen en visioenen, op de grote getuigenissen van redding en verlossing in het verleden. Al leek vaak genoeg alles mis te gaan, telkens weer ervoeren de mensen dat er hulp en redding kwam. Als het volk eronderdoor dreigde te gaan, stond er van Godswege telkens weer een bevrijder op. De rode draad in het verhaal van het joods-christelijke geloof is dat God zijn volk nooit en te nimmer is de steek laat. ‘Te voet gingen zij van u heen’, zegt de profeet Baruch, ‘weggesleept door de vijand, maar eervol brengt God hen terug, gedragen als op een koningstroon’. Het waren dit soort getuigenissen van de profeten, dit soort dromen en visioenen die het volk van God telkens weer over dode punten heen hebben geholpen: God laat zijn mensen niet in de steek. Hij blijft zijn volk trouw, wat er ook gebeurt. En wij, wij zijn geroepen om daarvan te getuigen, met het vertolken van deze verlossingservaring. Dat is de roeping van Gods volk, dat is onze roeping. Verzaken wij daarin, dat stellen wij als christenen niet veel voor. Dan heeft de wereld duidelijk geen boodschap aan ons, althans geen blijde boodschap.

Het is daarom onze eerste eigenschap als christen-gelovigen om met optimisme, met hoop en vertrouwen, met dromen en visioenen in het leven te staan. Want wij, christenen, aanbidden geen God die zich veilig verschanst in een tijdloze eeuwigheid, wij aanbidden niet een God die zich in de hoge hemel afzijdig houdt van het gekrioel van de mensen. Neen, wij hebben een God leren kennen die de lotgevallen van de mensen op aarde in de loop van de geschiedenis wil meemaken, een God die met ons meetrekt, een God die desnoods met zijn volk mee in ballingschap gaat, een God die meehuilt met de slachtoffers van deze wereld, een God die zelf kwetsbaar zoals mensen wil zijn, een God die zijn volk telkens weer voorziet van een redder, iemand die hen bevrijdt.

Jezus van Nazareth is voor christenen zo’n redder bij uitstek. In Hem zullen de mensen opnieuw zien hoe God zich om de wereld bekommert. In de adventstijd vieren wij zijn komen in de wereld. Gods solidair worden met ons! En die komst zal niet plaatsvinden ergens boven de wolken, neen, heel concreet op een bepaald stukje aarde in een bepaalde tijdsbestek. En op wat voor stukje aarde! En in wat voor een tijd! Het wordt door de evangelist allemaal nauwkeurig aangegeven. Maar ook waar: in de woestijn! Het heil voltrekt zich niet in de hoge hemel, in hogere sferen, neen, het speelt zich af waar ons leven zich ook vaak afspeelt: in de woestijn, onder de mensen met al hun ups en downs.

De achtergrond waartegen dit komen van God plaatsvindt, wordt in alle toonaarden omschreven. Een weinig opwekkend tijdsgewricht: het land zucht onder de bezetting en wordt geconfronteerd met allerlei vormen van onderdrukking, terreur en ellende. In deze wereld wil God zelf het leven van de mensen delen. God baant zich in die wereld, in die geschiedenis een weg. De politieke autoriteiten spelen daarbij een ondergeschikte rol. Maar Hij zal wel worden verstaan door mensen zoals Johannes de Doper, de zoon van priester Zacharias, die de woestijn had verkozen boven het comfort van de tempel. En Hij zou worden verstaan door vissersjongens uit Galilea. En door herders, tollenaars en andere randfiguren. Bij dat soort mensen aan de rand van de maatschappij zal Hij gehoor vinden. En zullen Gods bedoelingen aan het licht komen.

In een wereld die verre van ideaal is, wil God zelf binnentreden. Daarbij meestal verstaan door gewone mensen. Maar juist door hen zal ook de wereld Gods redding zien. Door hun getuigenis. Doordat zij daarover aan het praten gaan en getuigen van de hoop die in hen leeft. In die verre van volmaakte wereld wil God mens worden, bij ons, meetrekken in onze geschiedenis die soms ook wel weg heeft van een woestijn. Die gedachte kan ons moed en hoop geven en ons bestaan in die wereld zinvol maken opdat anderen zich aan ons verhaal, aan onze blijde boodschap kunnen optrekken en warmen.

Amen.
© 2018 Sandor Koppers