Home » Preekarchief » Preken 2015 » 15 Maart 2015

15 Maart 2015

OVERWEGING VIERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 15 MAART 2015
(2 Kron. 36,14-16.19-23 en Joh. 3,14-21)(B)

Er kunnen zich in een mensenleven gebeurtenissen afspelen die zij als een catastrofe ervaren. De ramp met de MH17, het faillissement van je zaak, een dodelijke ziekte, de verwoestende oorlog in Syrië en Irak. Het zijn voorbeelden die op tal van manieren zijn aan te vullen. De Babylonische ballingschap waarover de eerste lezing van deze zondag spreekt, werd door Israël in eerste instantie ook als zodanig ervaren. Alles wat hen groot had gemaakt, alles waaraan ze gehecht waren, was hun uit handen geslagen. Ze waren berooid, van hun vrijheid en onafhankelijkheid beroofd en hun dierbare hoofdstad met zijn tempel en dynastie van David was verwoest. Het was heel vernederend. Wij gaan dood, jammerden de Israëlieten, het is met ons gedaan, het is afgelopen. Wij ondergaan de straf voor de zonden van onze voorouders.

Ondertussen probeerden de profeten hen duidelijk te maken dat deze rampspoed ook een heilzame werking kon hebben: ze konden nu ontdekken waar het werkelijk om ging, wat werkelijk belangrijk was. Overbodige ballast waren zij tenslotte nu kwijt. En er zou altijd een nieuw begin komen. Zelfs in de diepste duisternis. Want God wil niet de ondergang, maar de redding van zijn volk. Verheug u daarover! En dus zien we een glimp van een nieuw begin: de wederopbouw van de tempel en de terugkeer van het volk naar Jeruzalem.

De wil van God om de mensen te redden. Het is eigenlijk het sleutelwoord uit de Schrift en de traditie. Maar ja, wat zegt dat ons? Welke zin heeft dit voor de alledaagse werkelijkheid van ons leven met zijn verdrietigheid en zijn vreugde? In welke mate kunnen wij van de geloofswoorden uit de Bijbel leven, zodat zij voor ons daadwerkelijk een blijde boodschap zijn?

Ik zal u zeggen: in veel gevallen hangt dat af wat van je zelf meemaakt of mee hebt gemaakt in je leven. Neem Johannes, de schrijver van dit evangelie. Hij was degene die op jonge leeftijd onder het kruis had gestaan. Hij had Jezus in jeugdig enthousiasme gevolgd en was toen getuige van deze afloop. Het moet voor hem een heel traumatische gebeurtenis zijn geweest, een geweldige deceptie. Hij was ook de eerste die op Pasen naar het lege graf was gehold, en later, bij het meer van Galilea, Jezus ook als eerste herkende als de verrezen Heer. In drie dagen speelde zich een compleet drama af. Een niet te volgen reeks gebeurtenissen. Nauwelijks te verwerken, nauwelijks een plaatsje te geven. Daar heeft hij vervolgens zeventig jaar over kunnen nadenken. En pas toen hij als enige nog levende getuige van het leven van Jezus was overgebleven, toen pas besloot hij te gaan schrijven over het leven, de dood en de opstanding van zijn Heer. Maar daar is dus zeventig jaar van strijd, twijfel, geloof, gebed en meditatie aan vooraf gegaan.

Wanneer hij spreekt over het kruis op Golgotha, is dat voor hem dan ook niet meer op de eerste plaats een martelwerktuig, maar een troon waar iemand op geheven wordt. Het is niet zozeer een vernedering, maar een verheffing. Waar hij als jongeman onder het kruis alleen maar dood zag, zag hij op zijn oude dag het leven, eeuwig leven.

Iets soortgelijks geldt voor elke mens die in zijn leven een kruis heeft ervaren, die met tegenslag te maken kreeg, met lijden. Als je leven door een hel ging. Maar ook dat je weer bent opgekrabbeld, weer bent opgestaan, dat je leven weer verder ging, ondanks alles, rijker, dieper… Het zijn wellicht de voorwaarden om de verheven woorden van Johannes over het kruis als verheffing en over de kruisdood als teken van liefde, ook maar enigszins te kunnen verstaan.

Er is nog een figuur in het evangelie die wellicht herkenningspunten geeft: de figuur van Nikodemus. Nikodemus was een vooraanstaand inwoner van Jeruzalem, een farizeeër, iemand die zijn geloof serieus nam. Maar uitgerekend hij komt midden in de nacht naar Jezus toe. Midden in de nacht. In de duisternis van het bestaan is hij op zoek naar het doel van het leven. Hij worstelt en vecht: waartoe zijn wij op aarde? Hij gaat op Jezus af met de diepste zielenroerselen van zijn eigen hart: waarom voel ik mij zoals ik voel, en vind ik niet wat ik zoek? Waarom moet mij dit nu overkomen? Hoe zal dit aflopen? Hij zoekt het antwoord bij Jezus vanwege de tekenen die hij Hem zag doen. Hij wil zien, harde bewijzen hebben, een tastbaar teken. En dan zegt Jezus dat je alleen het rijk Gods kan zien als je opnieuw geboren wordt. Nikodemus snapt er niets van. Hoe kan dat nu? Opnieuw geboren worden, als je al jaren leeft? En dan verwijst Jezus naar de slang die door Mozes werd opgeheven in de woestijn. In de woestijn werd het volk geplaagd door slangenbeten. Mozes liet toen een bronzen beeld maken en had dat op een paal gestoken. Wie ernaar opzag, werd genezen van de slangenbeet. Een gelovig opzien. En dat is nu juist het gekke: opzien naar de dood brengt leven. Opzien naar de op het kruis verhoogde Jezus brengt eeuwig leven. Johannes had het zelf ervaren.

Maar pas op! We moeten het evangelie van Johannes wel helemaal tot aan het eind volgen, om dat helemaal te begrijpen. Helemaal de beker leegdrinken. Dat is pas ‘de waarheid doen’.

Geloven is dus niet per se alleen de waarheid weten, maar ook de waarheid doen en vaak aan den lijve ervaren! En juist daarover heeft Johannes zolang moeten nadenken. Met alle tegenstrijdige gevoelens, met alle twijfels ‘dat God de wereld zo lief heeft dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gezonden om de mensen te redden’. En dat Jezus deze zending uit liefde is gegaan tot aan Golgotha toe, tot aan het kruis toe. Maar ook dat dat geen doodlopende weg is, want God wil de mensen redden, ondanks alles. Johannes had het zelf gezien en ervaren.

Amen.
© 2015 Sandor Koppers