Home » Preekarchief » Preken 2015 » 19 april 2015

19 april 2015

OVERWEGING DERDE ZONDAG VAN PASEN,
ST. MARTINUSPAROCHIE, ALMERE, 19 APRIL 2015
(Hand. 3,13-15.17-19 en Lc. 24,35-48)

Aarzelend, op de tast komen de leerlingen tot geloof in Jezus. Het tot geloof komen is dus niet een abc-tje geweest. Maar een moeizame weg van twijfel, vreugde, verbazing en verbijstering.

Wij lazen vandaag over een leven dat mislukt lijkt, over een rechtvaardige die vermoord is, terwijl een moordenaar vrijuit mocht gaan. Waar vind je dat? Nou, zo is het Jezus vergaan. En Lucas, de schrijver van beide lezingen van dit weekend, probeert mensen zoals u en mij tot een gezond geloof in Jezus te brengen. Hij stond voor de uitdaging voor de mensen aannemelijk te maken dat Hij ‘die geleden heeft onder Pontius Pilatus, die gekruisigd is, die gestorven en begraven is, die nedergedaald is ter helle’, dat die man ‘de derde dag verrezen’ is ‘uit de doden’. Ga d’r maar aanstaan! Je kunt daarbij niet zomaar met de deur in huis vallen! Je zult de mensen mee moeten zien te nemen, de ervaringen van de mensen serieus moeten nemen en daarbij geduld en vertrouwen moeten hebben. Je zult begrip moeten hebben voor de geloofsetappes die de mensen door moeten maken. Dat het geloof een groeiproces is.

In het evangelie dat wij vandaag lezen laat Lucas de elf bijeenzijn. Geloven doe je in wezen dus niet alleen, maar met elkaar, in een gemeenschap. En het elftal luistert naar het getuigenis van de twee leerlingen die maar niet uitgepraat raken over wat hun in de herberg van Emmaüs was overkomen. Hij was het echt! Zoals Hij het brood brak! Daaraan herkenden zij Hem. En ze waren nog niet uitgesproken of Hij stond plotseling in hun midden. ‘Vrede zij u’, zei Hij. Maar wat er komt: geen vrede. Integendeel: ze raken in paniek, in verwarring. Ze menen een geest te zien. En op dat moment komt de catecheet Lucas om de hoek kijken. Die wist namelijk al te goed hoe er toentertijd door zijn tijdgenoten over de dood werd gedacht: als dode verdween je in een soort souterrain, van waaruit je de levenden de stuipen op het lijf kon jagen. Voor anderen was de dood het definitieve eindpunt: dood is dood! Maar de meesten dachten dat de ziel bij de dood het lichaam verliet en dan werd opgenomen in een goddelijke wereld waar ze gezuiverd werd en tot voltooiing moest komen.

Lucas wil nu vooral duidelijk maken dat de verrijzenis van Jezus iets totaal anders is. Want heel het wezen, de ziel én het lichaam van Jezus zijn erbij betrokken. Jezus, die ze bij leven hebben gekend en aangeraakt, leeft echt voort bij God. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan of geloofd. Vandaar dat Lucas ons vandaag ook toont dat de leerlingen daar ook moeite mee hadden. Ze moesten ook groeien in dat geloof. Ze moesten een traject, een weg afleggen.

Eerst liet Jezus zich daarom door hen aanraken. Vooral Grieken vonden dat een belangrijk punt. Dat de ziel van een mens na zijn dood voortleeft, was voor hen niet zo’n probleem, maar dat ook het lichaam zal delen in die onsterfelijkheid was een brug te ver. Vandaar dat Lucas Jezus laat zeggen: ‘Betast Me, en je zult zien. Een geest heeft immers vlees noch been zoals jullie zien dat Ik heb’. Ze mochten dus zelf vaststellen dat Hij geen geest, geen spook was. En Lucas ging nog verder. Hij wist wat zij dachten, wat zij zich afvroegen: het mag dan Jezus zijn, maar is het wel dezelfde als degene ‘die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven?’. Daarom laat Lucas Jezus zeggen: ‘Waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf’.

De leerlingen stonden op de drempel van het geloof. Is ie ’t of is ie ’t niet? Vandaar dat er nog een lichamelijk teken wordt gesteld: het teken van de maaltijd. ‘Hebben jullie hier iets te eten?’, vraagt Jezus. Nu, helaas, echt veel is het niet. Het waren zulke rommelige dagen dat zij niet toegekomen waren aan het in huis halen van voedsel. Hun hoofd stond er gewoon niet naar, na alles wat er sinds dat Laatste Avondmaal met Hem gebeurd was. Maar iemand in het gezelschap heeft ergens een stukje geroosterde vis opgescharreld. Ze geven het Hem, en Hij eet het voor hun ogen op. Wat stelde het voor? Een maaltijd kun je het nauwelijks noemen, maar – dat wil Lucas ermee benadrukken – het is het teken van de aanwezigheid van de verrezen Heer in hun midden. Tot op de dag van vandaag. Tot op het moment waarop wij hier aanwezig zijn rondom zijn tafel.

Maar de weg naar het geloof is daarmee nog niet helemaal afgelegd. Er is nog een etappe te gaan. De beslissende stap moet nog worden gezet. Jezus zegt: ‘Alles wat in de wet van Mozes en bij de profeten en in de psalmen over Mij geschreven staat, moet in vervulling gaan’. Kennelijk kan er geen geloof in de Verrezene bestaan, als het niet geworteld is in het geloof van het volk, in hun geschiedenis en met name in de levensgeschiedenis van Hem, Jezus van Nazareth, ‘die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden’. En toen, schrijft Lucas ons, opende Hij hun verstand om de Schriften te begrijpen. Toen viel alles op zijn plaats.

Maar we moeten daarbij ook niet vergeten dat geloven ook gestalte moet krijgen in het handelen van de mens, in zijn woorden en daden. Daarom laat Jezus ook zijn handen en voeten zien. En eindigt Lucas zijn catecheseles met een zending: ‘Jullie zullen hiervan getuigen’. Maar dat getuigen zullen we alleen maar kunnen als we bereid zijn ons steeds opnieuw te begeven op de weg van het geloof. Geloof is geen bezit. Het is een weg om te gaan, soms met dwaalwegen, omwegen, terugwegen. Het is geen snelweg. Het gaat op z’n elfendertigst.

Amen.
© 2015 Sandor Koppers