Home » Preekarchief » Preken 2015 » 25 oktober 2015

25 oktober 2015

OVERWEGING DERTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 25 OKTOBER 2015
(Jer. 31,7-9 en Mc. 10,46-52)(B)

Jezus en zijn leerlingen trekken, vergezeld van een flinke menigte nieuwsgierigen, weg uit Jericho in de richting van Jeruzalem. Het is voor Jezus de laatste reis naar de heilige stad. Al pelgrimerend heeft Jezus geprobeerd zijn leerlingen de ogen te openen voor het diepste mysterie van zijn leven: dat Hij in Jeruzalem zal sterven en uit de dood zal opstaan. Maar ze begrepen er niets van. Terwijl Hij sprak over zijn lijden en dood, liepen zij met elkaar te bekvechten over de ereplaatsen in zijn rijk. Ja, ze leken we doof en blind tegelijk!

Onderweg stuiten ze plotseling op een bedelaar die langs de weg zit; hij heet Bartimeüs. Doordat hij niet kan zien, kan hij niet gaan en staan waar hij wil. Hij staat buiten het leven van de mensen. Anderen scharrelen hun kostje zorgvuldig bij elkaar, hij moet altijd zijn hand op houden, afwachten wat erin gegooid wordt en dankjewel zeggen.

Die blinde is natuurlijk de mens met een visuele handicap, maar staat hier ook voor de mens in geestelijke nood en die is van alle tijden. De wanhopige mens die hoopt op een sprankje licht. De behoeftige mens die in zijn eentje niet vooruit kan. De mens die afhankelijk is van wat anderen hem toewerpen. De hongerlijder, de armoedzaaier, de afgeschrevene, de vluchteling. Die mens zit daar, maar wat moet hij anders? Maar ondanks alle moeilijkheden en tegenwerkingen en alle tegenslag, is de levenswil niet uit hem weg. Hij geeft niet op. De omstanders snauwen hem toe dat hij zijn kop moet houden, maar hij gaat alleen nog maar harder roepen. Want hoewel hij stekeblind was, had hij uitstekende oren en had hij via zijn oren genoeg opgevangen over die Jezus van Nazareth. Hij roept Jezus dan ook zelfs met de naam die Hem toekomt: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij’. Kyrie eleison!

Ondanks het gesnauw van de omstanders houdt hij vol, houdt hij moed. Hij weet intuïtief dat Jezus de Messias is, en hij gelooft dat Jezus hem redden kan. En dat wordt zijn redding, dat hij zich niet uit het veld laat slaan, door geen sterveling. En kijk eens wat Jezus doet! Hij blijft staan. Hij onderbreekt zijn laatste gang naar Jeruzalem om zich te ontfermen over die ene blinde mens langs de kant van de weg. Verder doet Hij eigenlijk niets. Het is alsof Hij, zo vlak voor zijn eigen laatste gang, ons, de omstanders als het ware oproept om de mens in nood bij Jezus te brengen en hem of haar moed in te spreken. Wat we hier dus zien is dat wij eigenlijk een soort taakomschrijving krijgen over wat wij moeten doen als kerk: de mensen naar Jezus brengen en de mensen moed inspreken.

En gelukkig zien we dan ook die beginnende, prille kerk van haar beste kant. De leerlingen, de flinke menigte, de omstanders roepen de blinde toe: ’Heb goede moed! Sta op, Hij roept u’. Heb goede moed ook al lig je eruit bij de mensen, ook al zie je het zelf niet meer zitten, ook al is het een en al duisternis om je heen, heb goede moed! Sta op! Marcus gebruikt hiervoor hetzelfde woord als wat hij gebruikt om Jezus’ opstaan uit de dood aan te geven. Dus: verrijs, kom weer tot leven. Sta op! Hij roept je! Ja, God staat stil bij jou persoonlijk. Hij houdt de pas voor jou in. Hij laat zijn oog op jou vallen. Hij spreekt jou aan. Hij roept je!

En het effect van die woorden is gigantisch. Kijk wat de blinde doet. Hij gooit zijn mantel van zijn schouders, schudt het verleden van zich af, springt overeind, staat op en loopt blindelings naar Jezus toe. De bemoedigende, de inspirerende en de uitnodigende woorden van de omstanders zetten hem in beweging en zetten hem op weg naar zijn genezing. Zoveel effect heeft het spreken van die mensen die die prille kerk vormden.
Zoals gezegd doet Jezus eigenlijk niets. Op het eerste gezicht althans. Hij vraagt: ‘Wat wil ge dat Ik voor u doe?’. Dat lijkt een overbodige vraag in deze omstandigheden, want natuurlijk wil de blinde gered worden van zijn blindheid. Wie zou dat niet willen? Maar het gaat hier om nog iets heel anders belangrijks voor de prille kerk: de blinde moet zelf, met zijn eigen woorden, zijn diepste verlangens uitspreken. Hij moet zijn hoogst eigen motivatie tonen, zijn diepste verlangens onder woorden brengen, zichzelf in gebed tot de Zoon van David wenden en zijn geloof in Hem uitspreken. Dat moet de blinde, dat moet de gelovige leren. De leerlingen en de flinke menigte – de kerk – verdwijnen naar de achtergrond op het moment waarop de blinde oog in oog staat met Jezus. De kerk heeft haar uitnodigende, bemoedigende taak vervuld en treedt respectvol terug voor het mysterie dat zich afspeelt tussen deze ene mens en zijn God.

En Jezus zegt dan: ‘Ga, uw geloof heeft u genezen ‘. Hij zegt niet: ‘God heeft je genezen’, of iets anders, neen, Hij zegt alleen: ‘Je geloof heeft je genezen’. Je persoonlijke geloof heeft je ziende gemaakt en je gered. Ja, als hij langs de weg was blijven zitten, dan had hij nu niet gezien. Als hij niet had geschreeuwd, geroepen, gebeden, zou er niets met hem zijn gebeurd. Als hij niet ronduit had gezegd wat hij zo verlangde, had hij nog langs de weg gezeten. Als hij zijn mantel niet had afgeschud, was hij nog een blinde bedelaar geweest. Ja, geloof kan wonderen verrichten.

Geloven, licht en inzicht, verlossing en genezing: het zijn allemaal geschenken. Je maakt ze niet zelf. Je krijgt ze. Maar je moet er wel vaak om vragen, er hard voor roepen, schreeuwen soms. En je moet van je afgooien wat je belemmert en je diepste verlangens uitspreken en lang, heel lang soms je handen uitgestrekt houden. Maar dan zul je ook zien, een beetje, even misschien. Maar net genoeg om ervan te kunnen leven. Net genoeg om op de weg te blijven van Jezus, Zoon van David.

Amen.
© 2015 Sandor Koppers