Home » Preekarchief » Preken 2015 » 30 mei 2015

30 mei 2015

OVERWEGING HOOGFEEST H. DRIEEENHEID,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 31 MEI 2015
(Deut. 4,32-34.39-40 en Mt. 28,16-20)(B)

‘De elf leerlingen begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had’. U hebt het misschien niet in de gaten, maar het was een vreemde opdracht die Jezus hun gaf. Ze moesten niet naar Jeruzalem, het centrum van het land, het symbool van Gods aanwezigheid onder de mensen, maar naar Galilea, een afgelegen provincie waar het godsdienstig leven niet op zo’n hoog peil stond. En ze moesten bijeenkomen op een berg, in de openlucht.

Welke berg was dat? Matteüs heeft het alleen maar over ‘de berg die Jezus hun aangewezen had’. Dit zegt ons waarschijnlijk ook niet veel. Maar bij de leerlingen gingen vast en zeker wel een paar belletjes rinkelen. Het woord ‘berg’ stond voor hen vol symboliek. De berg, dat is de plaats waar Mozes van God de tien geboden ontving. De berg, dat is de plaats waar Jezus zijn Bergrede hield. De berg, dat is de plaats van de wonderbare broodvermenigvuldiging. De berg, dat is de plaats waar een drietal een glimp mochten zien van de heerlijkheid van Jezus. De berg, dat is niet zomaar een plek, maar een hoogheilige plek dus. Niet de tempel, een stenen gebouw, maar in de openlucht, op een berg kon je God ontmoeten!

Matteüs schrijft verder in zijn evangelie iets over hun reactie: ‘Toen ze Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden’. In aanbidding neervallen en twijfelen. Twee tegengestelde reacties, houdingen die aangeven hoe mensen in elkaar zitten. Een aantal viel in aanbidding neer, zoals ze dat ook gedaan hadden in de boot, toen de storm op Jezus’ woord was gaan liggen. Zij gingen plat door de knieën, zoals de wijzen uit het Oosten in de stal van Bethlehem deden. Of zoals de melaatse man en de Kananese vrouw deden toen ze door Jezus genezen waren. In aanbidding neervallen doe je, als het goed is, alleen als je weet dat je voor God staat.

Maar, zo schrijft Matteüs, sommigen twijfelden. Ook zo herkenbaar. Want wie van ons durft te zeggen dat hij als gelovige nooit twijfelt? Er worden door de evangelist geen doekjes om gewonden, de zaken worden niet mooier voorgesteld dan ze zijn. Het geloof daar van die elf op de berg was, net als het onze, een wankel geloof vermengd met twijfel en halfslachtigheid.

Vandaar ook dat Jezus de apostel Petrus ‘kleingelovige’ noemde, omdat Petrus terwijl hij over het water liep, weer begon te twijfelen. Kleingelovigen waren in feite alle leerlingen. Ze herinnerden zich nog heel goed het schandelijke vertrek van één van hen – ze waren immers nog maar met zijn elven – en ze schaamden zich diep dat zij afwezig waren op die andere berg, toen hun meester aan het kruis hing te sterven. Maar, zo schrijft Matteüs, Jezus trad nader. Hij ging naar hen toe. Hij kwam hen tegemoet en deed hen een belofte. Hij liet zich nogmaals kennen als God zelf, als Zoon van God. En dat is wat de leerlingen ook steeds meer gingen zien en geloven.

Wij vieren dit weekend het feest van de heilige Drie-eenheid. Een feest dat gaat over God zelf. Wie Hij is. En Jezus, de Zoon Gods, zegt het zelf bij de doopopdracht aan de leerlingen: God is Vader, Zoon en heilige Geest. Drie personen, maar één God. Onder mensen is dat niet mogelijk. Jan, Jaap en Piet zijn niet alleen drie onderscheiden personen, maar ook drie onderscheiden wezens, drie onderscheiden mensen. Als Jan en Jaap één mens zijn, dat is er niet Jan en Jaap, maar slechts Jan-Jaap. Maar God is natuurlijk geen mens. God is van nature ondeelbaar, Hij bestaat in volmaakte eenheid. En er is er bovendien maar één van. We hoorden het Mozes dan ook zeggen in de eerste lezing: ‘De Heer is God in de hemel boven en op de aarde beneden. Er is geen ander’. Hij is dus overal. In de hemel en op de aarde. Maar tegelijk is God ook drie personen. Drie onderscheiden personen, maar dus niet drie onderscheiden wezens. Eén goddelijk wezen, drie goddelijke personen: Vader, Zoon en heilige Geest.

De Vader is de oorsprong van de Zoon. De Zoon komt voort uit de Vader, dat schuilt ook in het woord ‘vader’. Maar dat wil niet zeggen dat Hij pas later in de tijd kwam, of dat er een tijd was dat de Zoon er nog niet was. Hij was er altijd en zolang de Vader bestaat, bestaat ook de Zoon. Beiden zijn eeuwig. Alles wat de Vader heeft, geeft Hij aan zijn Zoon. En alles wat de Zoon heeft, heeft Hij van de Vader en geeft Hij aan Hem terug.

En dan komt het: wat kan God geven, wat is het dat Hij heeft, anders dan zichzelf? Een innige en eeuwige band van volmaakte liefde. En ook die band is God. God de heilige Geest. Zo toont God zich als drie personen: als Hij die geeft, schept, de Vader. Hij die mens geworden is in Jezus, de Zoon, en Hij die leven geeft en kracht geeft, soepel maakt en verwarmt, de heilige Geest.

En met het doopwater zijn wij Gods kinderen geworden, zijn wij erfgenamen geworden tezamen met Christus. Gods eeuwige gave aan zijn Zoon is ook onze gave geworden. En om in deze dynamiek te kunnen blijven, zijn ook wij op onze beurt geroepen te geven. Onszelf te geven in het doen van onbaatzuchtige liefde. Die zelfgave zal ons steeds meer op Jezus doen lijken. Als wij komen te sterven, als wij de Geest geven, dan zal de door ons gedane liefde ons eens in zijn eeuwigheid brengen. Paulus zegt het zo: ‘Wij delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking’. Laten wij ons daarom inspannen en met ons leven eer brengen aan God die is en die was en die komen zal. Aan Hem zij alle lof en heerlijkheid in eeuwigheid.

Amen.
© 2015 Sandor Koppers