Home » Preekarchief » Preken 2015 » 4 oktober 2015

4 oktober 2015

OVERWEGING ZEVENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR,
ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE, 4 OKTOBER 2015
(Gen. 2,18-24 en Mc. 10,2-16)(B)

Veel mensen zijn bang voor de dood. De dood heeft ook iets dreigends, het is als een onbekend land, een sprong in het duister. Maar er zijn ook heel veel mensen die bang zijn voor het leven. Die hebben moeite om het ongewisse, het onbegrijpelijke, het wisselvallige van het leven te accepteren. Het leven is soms net een doolhof. Het is daarom goed dat de mens van Godswege leefregels heeft meegekregen, tien geboden, tien richtingwijzers, die orde scheppen in wat er zoal opkomt in het hart en het hoofd van de mens. Velen hebben daar genoeg aan. Deze leefregels gekoppeld aan het spreken van de kerk in haar leer geeft over het algemeen voldoende houvast én ruimte om op een verantwoorde manier als gewetensvol christen je leven te leiden.

Maar ja, dan worden wij geconfronteerd met de lastige vragen van het leven, ofwel in ons eigen leven, dan wel in je familie of wat verder weg in je omgeving. En dan is een kort en helder antwoord niet altijd mogelijk of makkelijk. Want het leven, alleen of samen met een ander, kan naast geluk en vriendschap ook pijn en mislukking met zich meebrengen, hoe goed je ook je best doet. Simpele antwoorden zijn dan niet zomaar voorradig. ‘Mag een man bijvoorbeeld zijn vrouw verstoten?’. Je zou zeggen een simpele vraag, met een simpel antwoord, maar dat simpele antwoord is er niet.

En dat is ook niet het antwoord dat we van Jezus krijgen. Jezus overstijgt in het evangelie de discussie tussen de rekkelijken, die alles goed vinden, en de preciezen, die niets goed vinden. Hij zoekt het antwoord in waar het God oorspronkelijk om te doen was. Waar is het God ten diepste om begonnen? Dat ieder mens ten volle mens zou kunnen zijn. En hoe kun je voluit mens zijn? Dat kan alleen maar in een relatie met een medemens, door één te worden met die medemens, door elkaar tot ‘hulp’ te zijn. Niet als slaaf, als sloofje, maar gelijkwaardig, evenwaardig in relatie met een medemens.

Hoe ga je dan met elkaar om? Wie ben je in het dagelijks leven voor je man? Wie ben je in het dagelijks leven voor je vrouw? Wat speelt er zich aan leven af in jullie relatie? Wat voor kansen zijn er voor beiden om volledig mens te zijn? Hoe trouw zijn wij aan elkaar? En ten aanzien van deze vragen geeft Jezus over de wet van Mozes heen een antwoord uit het scheppingsverhaal. God heeft de mens van origine zo gemaakt: mannelijk en vrouwelijk, en deze twee zullen één worden. Met één opdracht: de liefde. God schiep de liefde. En leven is liefde doen! Elke dag weer opnieuw. Tot elkaar komen, maar nooit zo dat het de ander verstikt. Naar elkaar toegroeien, een leven lang, zonder de ander te overwoekeren. En in dat liefdesverbond tussen twee mensen zien wij iets van Gods verbond met ons. En juist daarom is zo’n verbond, waarin mensen er helemaal voor elkaar zijn zonder elkaar ‘op te eten’, naar Gods diepste bedoeling één en onverbrekelijk.

‘Wat God verbonden heeft, dat zal de mens niet scheiden’, zegt Jezus. Een man en een vrouw, gelukkig gehuwd en groeiend in liefde. Wat God verbonden heeft…
Maar dan: een man en een vrouw, ongelukkig gehuwd, langs elkaar heen levend. Wat God verbonden heeft? In ieder geval gaat het vaak gepaard met een langdurig, machteloos samen zoeken. Kunnen zij dan nog ten volle mens zijn en voor elkaar een hulp wezen die bij hen past?
En als zij dan beiden, na een mislukt huwelijk, gelukkig leven met een ander? Wat God verbonden heeft?
En dan een man en een man, een vrouw en een vrouw, wonend onder één dak, in liefde en trouw gelukkig met elkaar. Wat God verbonden heeft? En tenslotte: een man en een vrouw, in liefde met elkaar verbonden, maar niet of nog niet getrouwd? Wat God verbonden heeft? Het zijn allemaal vragen die zich voordoen in het leven. Of we willen of niet.

Jezus verwijst ons voor het antwoord op al die vragen naar het begin, naar de bron van alle leven: de Schepper. En de Schepper maakte de mens voor de liefde. En vanzelfsprekend gaat het Hem om heiligheid en zuiverheid. Daartoe zijn wij geroepen. En daar is het spreken van de Kerk ook op gericht en daarover zal de Gezinssynode in Rome zich ongetwijfeld buigen. Maar deze heiligheid en zuiverheid moeten we in de stad van de mens helaas wel beleven in verbondenheid met imperfecte mensen, die we zelf op zijn tijd ook zelf zijn. Heiligheid in zijn pure vorm is de stad van de mens dus nog niet gegeven, dat hoort bij de stad van God. Dus zolang wij hier beneden vertoeven is om te beginnen nederigheid geboden. En nederigheid, bescheidenheid is feitelijk de enige weg die tot zelfkennis leidt. En dan beseffen we dat er in de stad van de mens, in onszelf dus, zowel een engel als een beest huist, en dat we geroepen zijn, om met kerkvader Augustinus te spreken, tot liefde, heiligheid en vrijheid. Liefde: dat je om elkaar geeft en het voor elkaar opneemt. Heiligheid: dat je deugdzaam met elkaar omgaat, maar ook weet dat je in de stad van de mens soms een tekortschietend mens bent. En vrijheid: dat je elkaar niet vastpint, maar vrij laat en ruimte geeft om te leven en om te groeien.

Amen.
© 2015 Sandor Koppers