Home » Preekarchief » preken 2019 » 10 februari 2019

10 februari 2019

OVERWEGING VIJFDE ZONDAG DOOR HET JAAR. ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Jes. 6,1-2a.3-8 en Lc. 5,1-11)(C)
In feite waren het heel gewone vissers. Maar wat ze deden was heel bijzonder: ze lieten de boel de boel, en aarzelden niet zich te laten meeslepen in het kielzog van een rondreizende rabbi die Jezus heette en die uit Nazareth kwam. Ze lieten alles achter: hun boten en netten, de productiemiddelen waarmee zij de kost verdienden. Het meer, het water waarop zij zich van jongs af aan thuis hadden gevoeld. De vakkennis die zij van hun vader hadden opgedaan. Dat alles hadden zij pardoes overboord gegooid toen zij tegen beter in op klaarlichte dag hun netten hadden uitgeworpen, het minst gunstige tijdstip dat je je als visser maar kunt voorstellen. Maar ze hadden het gedaan, tegen beter in. Een opmerkelijke, radicale keuze.

Je zou je daarom kunnen afvragen wat voor mensen dat waren die hier geroepen worden. Waren het inderdaad zulke helden of heiligen? Waren het inderdaad mensen zonder gebreken? We hoorden zojuist het bizarre verhaal van de roeping van Jesaja. Wat was Jesaja bijvoorbeeld voor iemand? Exegeten gaan er van uit dat hij behoorde tot de elite van het volk Juda in de achtste eeuw vóór Christus. Een man met hoogstwaarschijnlijk een glanzende carrière in het vooruitzicht. En deze mens wordt door God geroepen om profeet voor zijn volk te zijn. Dat zag hij helemaal niet zitten vandaar zijn uitroep ‘ik ben een mens met onreine lippen’, maar ondanks zijn zwakheid en gebrekkigheid wordt hij toch geroepen. En in het evangelie gaat het om vissers op het meer van Genesaret. Bootslieden, ongetwijfeld niet bepaald het toonbeeld van vroomheid, eerder het tegendeel. En toen Jezus de menigte toesprak, luisterden zij niet eens naar Hem, maar waren ze bezig met hun netten. Een smerig en vooral lawaaiig karweitje. Maar Jezus riep hen, zo gewoon en luidruchtig als ze zijn. Ondanks het feit dat Petrus tot zijn schande moest erkennen dat hij een zondig, tekortschietend mens was.

God kiest dus met andere woorden kleine, schuldbewuste mensen uit voor zijn taak. In de Bijbel worden zowel geleerden als handarbeiders geroepen voor taken, die ze uit zichzelf nooit zouden hebben opgepakt. Maar stuk voor stuk zijn het mensen die over hun kleinheid en gebrokenheid heen worden geholpen en nieuw zelfvertrouwen krijgen. Kijk maar naar Jakob, de bedrieger, Mozes, de koppige, die ondanks zijn stotteren en zijn impulsieve karakter, toch door God gevraagd wordt om het joodse volk naar het Beloofde Land te leiden. En kijk naar David, die vreemd ging en iemand liet vermoorden. God had hem juist nodig. En kijk naar Zacheüs: hij kon zijn oren niet geloven toen Jezus uitgerekend bij hem te gast wilde zijn. Zondigheid, gebrokenheid of onvermogen: ze vormen geen onoverkomelijke hindernis wanneer God zo’n dergelijke mens roept voor een taak. Gods heiligheid, Gods goedheid, Gods vergevingsgezindheid overwint ze allemaal. Jesaja’s lippen worden namelijk met vuur van het altaar gereinigd; en juist daarna kon hij in alle vrijheid zeggen: ‘Hier ben ik, zend mij!’. En het is Jesaja die uiteindelijk uitgroeide tot een van de grootste profeten van Israël. En het is Petrus, door Jezus opgevist aan het meer, die op het moment dat hij niet meer in een goede vangst geloofde en steeds meer aan zichzelf begon te twijfelen, toch ‘visser van mensen’ mocht worden, en uiteindelijk zelfs de eerste van de twaalf werd, die het geloof van zijn broeders moest versterken.

God roept stamelende, stotterende, stuntelende mensen, klein en tekortschietend. En omdat wij misschien wel van die stamelende, stotterende en stuntelende mensen zijn, worden ook wij geroepen. We worden geroepen om zichtbaar en hoorbaar te zijn in onze wereld. Misschien hebben we ons de afgelopen jaren toch vooral bezig gehouden met het spoelen en boeten van onze netten, naar binnen gericht, en moeten we nu wat meer het open water op. Om mensen aan te spreken en kennis te laten nemen van de rijkdommen van ons geloof omdat we weet hebben van Gods heiligheid en goedheid, maar vooral ook van Gods vergevingsgezindheid.

Ieder van ons wordt door Jezus zelf uitgenodigd van wal te steken, erop uit te gaan en de wereld prettiger te maken. Want de rijkdom van de christelijke boodschap is van essentieel belang voor onszelf en voor de mensen met wie wij leven. En daarbij lopen we inderdaad tegen hoekige, lompe of vervelende mensen aan. Mensen die zichzelf soms erg graag horen en weinig ruimte laten voor een ander. We kunnen dergelijke mensen allemaal zo invullen en misschien zijn wij zelf wel zo. Maar met die mensen moeten wij het doen, met hen, met elkaar moeten wij samenleven. Elke dag weer. Met mensen met gebreken, die we zelf ook hebben. De Bijbelse geschiedenis leert ons dat God geen bijzondere voorkeur heeft voor mensen die menen er al te zijn. De geschiedenis leert ons dat God juist vooral houdt van mensen die zijn reddende hand nodig hebben. Die zich bewust zijn van hun tekortschieten. En misschien hebben wij daarom wat aan de eeuwenoude kloosterregel van de cisterciënzermonniken. Die schrijft: ‘De broeders dragen hun zwakheden met het grootste geduld. Ze stellen zich nederig in dienst van elkaar. Ze helpen hun zwakke, wankele en lijdende broeders. Ze omringen de zieken, de ouderen en de stervenden met liefdevolle toewijding’. En dan moet u zich voorstellen dat deze mensen hun hele leven binnen de muren van hetzelfde klooster doorbrengen. Zij hebben elkaar niet gekozen, maar moeten toch met elkaar samenleven. Dag in dag uit. Jaar in jaar uit. Dat vraagt dus veel geduld en veel liefde en verdraagzaamheid. Maar ze moeten het met elkaar uithouden, omdat ook God het met hen aandurft, moeten zij en wij het ook met elkaar aandurven. Betere of andere mensen zijn er niet.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers