Home » Preekarchief » preken 2019 » 14 juli 2019

14 juli 2019

OVERWEGING VIJFTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Deut. 30,10-14 en Lc. 10,25-37)(C)  

Wat is het belangrijkste, het eerste en het voornaamste in het leven? Een vraag van alle tijden, waarop velen nu dit kort antwoord geven: ‘Het allereerste en het voornaamste is gelukkig en gezond zijn’.

De vraag van de wetgeleerde aan Jezus klinkt enigszins anders. Hij vraagt wat hij moet doen om het eeuwig te leven te verwerven. Jezus verwijst naar de Thora, de Wet en Hij laat de man zelf het antwoord geven op zijn vraag. In de boeken van Mozes staan de twee geboden: die van de liefde tot God en dat van de liefde tot de naaste. Het voornaamste is dat je God bemint en je naaste.

De Schriftgeleerde van toen wou een verduidelijking bij het woord naaste. Wie is mijn naaste? Hij geeft de indruk dat hij wist wie God was en dat hij daarover geen verder uitleg nodig had. Het lijkt nu anders. Dat we onze naaste moeten beminnen is al zo vaak gezegd, al wordt het te weinig gedaan. Er is nog altijd veel vijandschap tussen mensen en volkeren.

De parabel die Jezus vertelde om aan te duiden wie mijn naaste is of beter van wie ik de naaste word, is de parabel van de barmhartige Samaritaan. Al volgen we het voorbeeld van deze Samaritaan niet, toch is deze parabel tamelijk goed bekend. Het is Lucas die deze parabel van Jezus in zijn evangelie heeft opgenomen, samen met die andere mooie parabel van de vader met de twee zonen, van wie de jongste ver van huis was weggelopen.

De parabel van de barmhartige Samaritaan is van alle tijden en hij laat zich goed actualiseren. Het is het thema van de reis. Een man was op weg. Lucas vertelt over Jezus op weg naar Jeruzalem. Mensen zijn voortdurend onderweg, naar hun werk, op bezoek, op reis.

Op weg gaan houdt risico’s in. De weg van Jeruzalem naar Jericho was gevaarlijk. Waar een ongeluk gebeurt, staan naderhand toeschouwers en is er een kijkfile. Slechts enkele helpen. Het zijn niet altijd degenen van wie we het mogen verwachten die helpen. De priester en de leviet gingen voorbij, ze maakten een boog om hem heen. Een Samaritaan ziet het slachtoffer. Hij is geraakt door het leed van de man en hij helpt. De Samaritaan was iemand uit de volksgroep van wie de joden niet veel moesten hebben. ‘Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om’. Dat had Jezus zelf kort vlak daarvoor ondervonden toen Hij en zijn leerlingen niet welkom waren in een dorp van de Samaritanen. Nu prijst Hij juist een Samaritaan als de man die meeleeft en die de naaste wil zijn van een gewonde man op de weg. Je weet vandaag niet wie jou morgen uit de gracht moet helpen. De Samaritaan onderbreekt zijn tocht om de gekwetste te helpen en te verzorgen. Hij brengt hem naar een onderkomen en verzorgt hem.

We hebben uiteindelijk de droom dat alle mensen elkaar zouden helpen. Wij zijn broers en zussen van elkaar. Thomas Merton beschrijft in een van zijn werken hoe dit inzicht hem als het ware overviel. ‘In Louisville, op de hoek van Fourthe en Walnut Street, midden in het winkelcentrum werd ik ineens overweldigd door het besef dat ik van al die mensen hield, dat zij bij mij hoorden en ik bij hen, dat wij geen vreemden voor elkaar konden zijn, ook al kenden wij elkaar niet. Het was alsof ik ontwaakte uit een droom van afgescheidenheid, van valse afzondering in een aparte wereld, de wereld van verzaking en vermeende heiligheid’. ‘Ik ben oneindig blij om mens te zijn’, schrijft Merton,’deel uit te maken van het ras waarin God zichzelf incarneerde’.

We vinden het wellicht spijtig dat Jezus geen parabel naliet met dezelfde kracht als deze van de barmhartige Samaritaan om te zeggen wie God is. Of heeft Jezus dit toch gedaan, wanneer Hij later vertelt over een vader met twee zonen? De jongste was van huis weggegaan. De vader stond op de uitkijk en hij snelde naar zijn zoon toe, wanneer deze naar huis terugkeerde.

Er is een band tussen beide parabels. Ze illustreren allebei de beweging van de barmhartigheid. Een zelfde beweging is in beide parabels aanwezig, zowel in de parabel van de barmhartige Samaritaan als bij de vader van de zoon die terugkeert. De zoon die ver van huis weg was geweest, was tot inkeer gekomen. ‘Hij vertrok meteen en ging naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af; viel hem om de hals en kuste hem’.

Dezelfde dynamiek zien we in de wijze waarop Lucas over de Samaritaan schrijft. ‘Een Samaritaan die op reis was kreeg medelijden met de halfdode man. Hij ging naar de gewonde man toe; goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdieren bracht hem naar een herberg, waar hij voor hem zorgde’. Twee keer gaat het over op weg zijn. De vader wendt zich naar zijn zoon zoals de Samaritaan naar de gewonde man. Het is de weg van de barmhartige vader naar de zoon die terugkeert en de weg van de Samaritaan naar een gekwetste mens.

Bij het einde van het verhaal vroeg Jezus aan de Schriftgeleerde om te zeggen wie de naaste geworden was van de man die halfdood naast de weg lag. Deze had eenvoudigweg kunnen antwoorden: ‘Dat was de Samaritaan.’. Hij zegt meer. Hij ziet in de Samaritaan God die barmhartig is. De parabel van de barmhartige Samaritaan is dan toch een parabel over God. Hij is het de gewonde mens tegemoet snelt. Deze Samaritaan handelt precies zoals God. In hem komt Gods liefde aan het daglicht.

Zo is de Samaritaan een beeld van God, die de gekwetste mens optilt en die van ons verwacht dat wij hetzelfde doen. De man, de vrouw, geplunderd, verkracht en verlaten, ze kunnen Jezus zijn die ons oproept. Christus is ‘een landloper, een berooide zwerver met vuile voeten, een dakloze God, verloren lopend in de nacht zonder papieren, zonder identiteitsbewijs’, aldus Thomas Merton.

Dat de barmhartige Samaritaan bij paus Franciscus een streepje voor heeft, is overduidelijk. Hij vindt in deze parabel een sleutelwoord van het evangelie: ‘Het is dat wat de barmhartige Samaritaan ertoe brengt de gekwetste man langs de weg te benaderen, in tegenstelling tot de anderen die een versteend hart hadden’. De paus gebruikt vaak het beeld van een veldhospitaal om het werkterrein van de kerk aan te duiden. Deze kerk raakt wonden aan, al is ze zelf verwond en gekwetst. Ik hoor graag tot die kerk.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers