Home » Preekarchief » preken 2019 » Overweging 24e zondag door het jaar C

Overweging 24e zondag door het jaar C

Een schaap en een geldstuk

15 SEPTEMBER 2019

Schriftlezingen (Ex. 32,7-11.13-14 en Lc. 15,1-10)(C)
Een schaap en een geldstuk. Twee heel verschillende dingen, die op een punt overeenkomen: ze zijn weg, verdwaald, verloren. En we zouden het verhaal van de Verloren zoon er ook nog aan toe kunnen voegen. Er wordt van alles gedaan om ze terug te vinden. Om het schaap te vinden wordt een lange tocht ondernomen in de woestijn. Om het verloren muntstukje weer in bezit te krijgen worden lampen aangestoken en het huis ondersteboven gekeerd. We horen telkens hoe het verlorene tot grote vreugde weer wordt teruggevonden. Verloren raken, weglopen, terugvinden, terugkeren: het is een steeds weerkerend refrein in heel dit hoofdstuk van het Lucasevangelie. Maar wat is er verloren, wie is er weggelopen, wat wordt er teruggevonden, wie keert er terug? 

Misschien ben ik inderdaad dat arme schaap dat de weg in het leven kwijt is, en weet ik niet meer waar ik het zoeken moet. Lange tijd ging alles zijn gangetje in mijn leven, maar opeens… Opeens kan er iets gebeuren dat heel je leven ondersteboven zet, en raak je helemaal gedesoriënteerd. Je voelt je dan als een schaap moederziel alleen dolend in de woestijn. Of misschien ben ik wel dat muntstukje dat ergens onderin in een la van een kast ligt, veilig opgeborgen, onopgemerkt, ongebruikt. Je talenten worden niet aangesproken; het blijft dood kapitaal. Misschien vind je dat wel best zo, maar misschien heb je ook het gevoel dat je veel meer waard bent, maar dat je talenten, je bijzondere eigenschappen, niet gezien worden, genegeerd worden of ontkend worden. Je voelt je dan misschien als een ongebruikt muntstuk dat ergens in het donker maar ligt te liggen.

Of misschien ben ik wel die verloren zoon. Weggelopen van mijn ouders, afgesneden van mijn wortels, mijn roots. Ik dacht het allemaal wel op eigen houtje aan te kunnen. Ik keerde mij af van het verleden, sloeg goede raad in de wind. Ik vertilde misschien wel mezelf, ik probeerde misschien iemand te zijn die ik helemaal niet was. En dan gaat het van kwaad naar erger. Je raakt aan lager wal. Treft de verkeerde vrienden en er lijkt geen weg meer terug.

Lijden we allemaal wel op een of andere manier aan die drie vervreemdingen. We kennen allemaal wel eens momenten van verlatenheid, zoals dat schaap dat de weg verloor. We voelen ons allemaal wel eens weggestopt, miskend, onopgemerkt, zoals dat geldstuk dat onder de vloer terechtkwam. En ook kennen we allemaal wel eens ogenblikken van grote verlatenheid die we onszelf aandeden. We krijgen vandaag dus een schets over hoe de mens feitelijk is. Ze houden ons een spiegel voor. Maar we komen ook wat anders op het spoor. Een positief, bemoedigend, troostrijk beeld. Het beeld van God, de grote zoeker. Een goddelijke herder gaat op zoek naar mij. Een goddelijke huisvrouw kamt het hele huis uit om mij te vinden. Een goddelijke vader loopt elke dag het tuinpad af en tuurt in de verte om mij op te wachten en in zijn armen te sluiten. Wat we hier dus zien, waar het in deze parabels van Jezus om gaat, is de barmhartigheid van God. God zoekt de mens. Hij ziet naar hem uit. Hij is niet een straffende God, die voortdurend op ons let om ons bij de minste of geringste misstap te straffen. Neen, God daagt zijn volk een warm hart toe.

De Farizeeën en de Schriftgeleerden, tot wie Jezus zich met deze parabels richt, hadden dat natuurlijk allang kunnen weten. Hoe vaak zullen ze immers niet zelf dat stukje uit het boek van de Uittocht hebben gelezen, dat wij zojuist hoorden. Dat God tegen Mozes zei: ‘Ik ben het zat. Dat volk dat jij op mijn initiatief en met mijn hulp uit de slavernij van Egypte hebt geleid, is Mij ontrouw geworden. Het loopt achter vreemde goden aan. Ik ga dat volk vernietigen, en met jou Mozes begin Ik weer opnieuw’. Maar dat is voor Mozes, en uiteindelijk ook voor God, ondenkbaar. Het is voor hem iedereen of niemand. En alleen zichzelf redden wil hij niet. En Jozua, de opvolger van Mozes, had dat ook goed begrepen. Wanneer hij op het punt staat het volk de Jordaan te laten oversteken, het beloofde land in, richt hij zich speciaal tot de stammen Ruben, Gad en Manasse. Die stammen hadden namelijk al een grondgebied gekregen ten oosten van de Jordaan. Maar zij moesten, solidair met hun broeders, samen optrekken, opdat ook de anderen rust zouden vinden in het beloofde land. Het ‘beloofde land’ wordt pas werkelijkheid, als álle broeders rust gevonden hebben. En niet de ene wel en de andere niet. Het is iedereen of niemand. Eén stam alleen kan zich niet redden.

Later beseft Israël zelfs dat God, de Schepper van hemel en aarde, de God is van alle mensen en niet alleen maar van het volk Israël. Dat het ook op dat terrein een zaak is van iedereen of niemand. En dus gaat het in de parabels om de vreugde bij het vinden. Want niet alleen voor het verloren honderdste schaap is het van levensbelang dat het teruggevonden wordt; ook voor de negenennegentig andere. Zonder dat honderdste schaap is de kudde namelijk onvolledig en kan er dus ook geen echte vreugde zijn. En de vrouw die haar verloren geldstuk teruggevonden heeft, gaat meteen op zoek naar haar vriendinnen en buurvrouwen. Ze vieren feest omdat de collectie van tien zilverstukken weer compleet is. Jezus – die zoals Mozes niet zichzelf, maar de anderen wilde redden – roept op tot een gedeelde vreugde met iedereen. Het is alle honderd of geen een. De negenennegentig rechtvaardigen redden het pas met de honderdste erbij. Als zij elkaar gezocht en gevonden hebben, kan het vreugdefeest pas echt beginnen.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers