Home » Preekarchief » preken 2019 » 24 februari 2019

24 februari 2019

OVERWEGING ZEVENDE ZONDAG DOOR HET JAAR, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(1 Sam. 26,2.7-9.12-13.22-23 en Lc. 6,27-38)(C)
Jullie vallen vandaag met jullie neus in de boter! Als jullie wel eens op een gewone zondag naar de kerk komen, worden er vaak stukken Bijbeltekst gelezen waar je vaak niet zomaar raad mee weet of die je niet zomaar snapt. Vandaag is dat anders. Vandaag hoorden wij het evangelie waarin precies staat aangegeven wat het inhoudt om leerling van Jezus te zijn. Is dat begrip leerling van Jezus soms wazig, vandaag niet. Het staat hier knip en klaar. Leerling van Jezus zijn is: ‘Bemin je vijanden’ en ‘Als iemand jou op de linkerwang slaat, keer hem dan ook de rechter toe’, zodat hij daar ook een beuk op kan geven. Ik vraag mij af of jullie, HKP’ers in het bijzonder, nu nog leerling van Jezus wilt zijn als je dit tot je door laat dringen. En hoe je dat ooit voor elkaar kunt krijgen mocht je dat toch wel willen.

Want wie geeft niet een flinke dreun terug als hij wordt geslagen? Wie heeft niet de neiging om even van zich af te bijten als iemand jou pijn doet of uitscheldt en beledigt? Dan geef je toch een grote bek terug?! We leren toch al jong van ons af te bijten en niet over ons heen te laten lopen. Kanjertraining heette dat toch op de lagere school: je mag er zijn en wij moeten leren elkaar te accepteren.

‘Bemin je vijanden!’. Er zijn bijbelgeleerden die bij allerlei uitspraken die aan Jezus worden toegeschreven vraagtekens plaatsen, maar bij deze uitspraak niet. Deze uitspraak moet echt van Jezus zijn, want er was niemand in de hele omgeving die zo’n uitdagende uitspraak deed. De normale, gezonde regel in die tijd was: Bemin je naaste en haat je vijanden.

Maar Jezus wijst dat dus radicaal af. Er mag geen verschil zijn tussen nabije mensen en vreemde mensen, tussen iemand die jou ligt en iemand die jou niet ligt. Denk bijvoorbeeld aan het verhaal van de Barmhartige Samaritaan: het is een vreemde die te hulp komt, niet die bekende. En dat betekent dat wij, als leerlingen, de naasten moeten worden van iedereen die op ons pad komt, bekend of niet, aardig of niet, gelovig of niet. We mogen zelfs geen onderscheid maken tussen goeden en kwaden. Want God laat de zon opkomen over iedereen, dus zowel over goeden als kwaden. Allen zijn wij kinderen van God. En iemands boosheid of slechtheid is nooit de hele mens. Er is altijd nog, soms heel diep verborgen, de kern dat ook hij kind van God is.

In de eerste lezing merkten we dat David toch uiteindelijk op het allerlaatste moment besefte dat zijn aartsvijand, koning Saul, ‘de gezalfde van God’ was. Er was aanvankelijk zeer zeker de verleiding om eens en voor al met Saul af te rekenen. Een van Davids vrienden, Abisai, had hem zelfs aangespoord Saul te doden en hem gezegd dat het Gods wil was dat hij nu zo makkelijk uit te schakelen zou zijn. Maar David voelde haarfijn aan dat dit niets met ‘Gods wil’ te maken had en hij weerstond de verleiding: hij zal de hand niet slaan aan ‘de gezalfde van de Heer’, die Saul ondanks alles nog steeds was. Wat David wel doet is een bravourestuk: hij sluipt ’s nachts het legerkamp in en neemt de lans en de waterkruik weg die vlakbij de slapende Saul staan. Deze voorwerpen symboliseren de macht (zijn lans) en het leven (zijn waterzak) van de koning, waar David nu dus meester over was. Achteraf kon hij hiermee aantonen dat hij Saul geen kwaad wilde doen terwijl Saul wel alles deed om David uit de weg te kunnen ruimen: hij haatte David en wilde hem vermoorden.

Naast wat andere dingen laat dit verhaal dus zien dat geweldloosheid of liefde voor de vijand en ‘kwaad met goed vergelden’ tot prachtige dingen kunnen leiden. Saul wordt bijvoorbeeld tot tranen toe bewogen en komt tot inkeer en noemt David voortaan ‘mijn zoon’. En het illustreert dat David echt goed mens was, ‘een man naar Gods hart’ was

De spiraal van het kwaad kan dus alleen doorbroken worden door liefde tot de vijand, zegt Jezus. Door zo naar de ander te kijken dat je in hem of haar een kind van God ziet en wie weet een toekomstige vriend of vriendin, ja, op zo’n manier wordt de wereld prettiger en veiliger. ‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen’, bad Jezus ook nog toen Hij aan het kruis hing. Wie zou dat voor elkaar kunnen krijgen? Zoiets is menselijk gezien toch onmogelijk? En dat klopt. Het is iets wat wij mensen maar moeilijk over de lippen kunnen krijgen. Zo’n liefde is uiteindelijk een gave van God, het is alleen de heilige Geest die het in ons en met ons kan bewerkstelligen. De heilige Geest is ‘Geest van de waarheid’, Hij maakt duidelijk dat het kwaad werkelijk kwaad is. Maar diezelfde heilige Geest is ook ‘Geest van de liefde’, die het verloren schaap tot het uiterste toe gaat zoeken. En die mensen dus tot mooie dingen aanzet.

De HKP‘ers bereiden zich heel speciaal voor op het ontvangen van die heilige Geest. Deze Geest zal jullie helpen om goed en kwaad te kunnen onderscheiden en om een goed mens te kunnen zijn in onze wereld en die heilige Geest zal je helpen om bruggen te slaan tussen mensen en groepen.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers