Home » Preekarchief » preken 2019 » Overweging 30e zondag door het jaar (C)

Overweging 30e zondag door het jaar (C)

‘wat is bidden?’ en ‘Hoe moeten wij bidden?’

27 oktober 2019
Schriftlezingen: (Jezus Sir. 35,12-14.16-18 en Lc. 18,9-14)(C)

In aansluiting op vorige week vervolgt de evangelist vandaag zijn gebedscatechese met de vraag ‘wat is bidden?’ en ‘Hoe moeten wij bidden?’. Om te beginnen leerden wij vorige week dat we geduldig, volhardend moeten bidden om gerechtigheid. En vandaag gaat het over de ideale gebedshouding. Simpel gezegd betekent dit dat je niet moet denken dat je er al bent als je een beetje vroom weet te zijn. Dus enkel vroom zijn en voor mijn part elke dag de rozenkrans bidden is niet voldoende. Van belang is dat je ook je gedrag aanpast en wel zo dat anderen er beter van worden. En dat betekent concreet dat je zoveel mogelijk probeert te redeneren vanuit de ander. Wat heeft de ander nodig? Wat gaat er in hem om? Wat kan ik voor hem betekenen? Of hoe kan ik hem beter begrijpen en helpen? Dit soort vragen moeten je bidden en je gedrag sturen.

En dat is wat we nu juist niet zien bij de farizeeër. Natuurlijk, op zich is er niet veel op de man aan te merken. Hij doet zelfs meer dan de wet voorschrijft: hij vast vaker en geeft niet alleen een tiende deel van de oogst, maar ook van al zijn andere inkomsten. Voortreffelijk, zou je zeggen. Maar zijn fout is zijn borstklopperij, zijn zelfgenoegzaamheid. Hij is een beetje een egocentrisch figuur, hij begint altijd bij zichzelf. ‘God, ik dank U… ik vast en geef tienden’. Hij heeft het met andere woorden erg met zichzelf getroffen met als gevolg dat hij op zijn medemens neerkijkt en gewoon omdat hij het allemaal zo voortreffelijk doet, recht meent te hebben op betere plaatsen maar ook dus op beloning van Godswege.

En dit is zijn grote denkfout. God beloont namelijk geen prestaties. Want als het op prestaties aankomt, zijn wij waarschijnlijk allemaal hopeloze amateuristische prutsers. De farizeeër meent dat als hij nu maar precies doet wat voorgeschreven is, en zelfs ietsjes meer, dat het dan wel goed komt met hem. En dat is nu juist het grote misverstand. Gods liefde kun je niet kopen of verdienen, je kunt hem alleen maar dankbaar ontvangen. En zo’n ontvangende, in zekere zin kwetsbare houding zien we wel bij de door Jezus voorgestelde tollenaar. Op zich helemaal niet zo’n oplettende deugdzame burger, die tollenaar. Maar hij blijkt wel iemand te zijn die zich wel degelijk bewust is van zijn fouten en tekorten, van zijn zondigheid. En dat hij voor die fouten en tekorten ook veel vergeving nodig heeft. ‘God, wees mij zondaar genadig’, bad hij dan ook. En dat is dus de crux. Dat is waar het in de gebedscatechese die wij vandaag krijgen moeten leren. Zelfgenoegzaamheid, borstklopperij wordt genegeerd, jezelf kennen, weten wie je bent, bewust zijn van je fouten en gebreken dat wordt wel gewaardeerd. Iemand die zelfgenoegzaam is heeft een ander ook niet nodig, die redt het alleen wel. En God heeft hij al helemaal niet nodig. Maar iemand die beseft dat hij het niet alleen kan, die is van nature meer gericht op de ander. En als hij gelovig is op God.

Ik denk dat zo wel duidelijk is waar het in deze catecheseles over gaat. Een leerling van Jezus die bidt die kan dat alleen maar doen, die kan alleen maar bidden, vanuit een bewustzijn van zijn eigen kleinheid. Want wij zijn als het er op aankomt allemaal maar kleine mensen. En hoeven ons echt niet op de borst te slaan om onze grote verdiensten.

We kunnen het hier nu bij laten. Dan blijven we op de eerste laag in dit evangelie hangen. We kunnen echter ook proberen dieper te duiken, dat wil zeggen proberen die diepere lagen te zoeken en te ontdekken. Als je je namelijk bewust bent van je eigen kleinheid en zondigheid, dan heb je in je gebed ten diepste de wens dat God jou deze kleinheid en zondigheid vergeeft. ‘God, wees mij zondaar genadig’, bid je dan. Daar zit dus ook een stukje eigenbelang in.
Maar als we proberen die diepere laag te raken dan betekent dat dat wij zouden moeten proberen boven dat eigenbelang uit te stijgen en gaandeweg alleen nog maar bekommerd te zijn om het belang van de ander. Dan proberen we van de berouwvolle, verloren zoon, die o zoveel vergeving nodig heeft voor zijn fouten en tekorten en dat ook beseft, door te groeien in de vergevende vader. Aanvankelijk verlangden wij diep in ons hart alleen maar vergeving, troost, heling en feest voor onszelf, maar aangekomen op die diepere laag beseffen we dat wij die vergeving, troost, heling en feest ook kunnen geven, brengen aan een ander. En dan zijn er verbazingwekkende dingen mogelijk. Dan wordt het zelfs mogelijk om voor je beul te bidden. ‘Heer, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen’. Dan wordt je een soort plaatsbekleder van God die vol mededogen en vergevingsgezindheid kijkt naar wat een ander ten diepste nodig heeft. Dat is moeilijk hoor! Maar er zijn voorbeelden van mensen die dat stadium van leerling zijn hebben bereikt. Martelaren. Maximiliaan Kolbe, Titus Brandsma. Zelfs in de NAZI-concentratiekampen konden zij nog bidden voor hun vervolgers. Voor zichzelf baden ze allang niet meer, alleen nog maar voor de ander, zelfs voor hun beulen.

Op zo’n hoog niveau van leerling zijn van Jezus komen maar weinigen. Maar je weet nooit waar je in je leven ooit nog voor kunt komen te staan. Laten we hopen dat je dan in staat bent niet alleen te bidden voor jezelf, voor je eigen heil, maar ook voor het heil van de mensen om je heen, en zelfs voor het heil van je grootste tegenstander.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers