Home » Preekarchief » preken 2019 » 3 februari 2019

3 februari 2019

OVERWEGING VIERDE ZONDAG DOOR HET JAAR, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Jer. 1,4-5.17-19 en)(C)
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: is Jezus voor u de zoon van Jozef, en dus een gewone leraar, rabbi, filosoof of voor sommigen zelfs een bedrieger of is Hij de Zoon van God? Het klinkt bot of kort door de bocht, maar in feite draait het om die vraag: wie is Jezus? Vanaf het begin was dat ook de prangende vraag en de reden om Jezus te verwerpen of te omarmen. En die vraag is nog steeds actueel. Er zijn tal van mensen die best wel een zekere sympathie voor Jezus voelen, die ontroerd kunnen raken door afbeeldingen in de kunst of door religieuze muziek, maar uiteindelijk zetten zij Hem toch vaak in het rijtje van andere belangrijke figuren uit de geschiedenis: Socrates, de joodse profeten, Plato, Boeddha, Mohammed. Hij is dan op z’n minst evenwaardig aan de anderen. En je kunt daar gerust nog Ghandi en Martin Luther King en Mandela aan toevoegen.

Een ander verhaal wordt het als je durft te zeggen en geloven dat je Hem als Zoon van God belijdt. Ook dan kun je waarderende woorden uitspreken over andere religies en filosofen, maar je zegt dan eigenlijk ook dat Jezus toch de ultieme basis is.

We hebben vandaag een inkijkje gekregen in de gang van zaken in de synagoge van Nazareth. Vorige week begonnen we daar al mee toen Jezus een fragment uit de boekrol van Jesaja voorlas en daarop verklaarde dat die tekst op Hem sloeg, dat die woorden in Hem in vervulling waren gegaan. En dat het genadejaar van de Heer was aangebroken. Je zou zeggen dat iedereen in opperbeste stemming zou zijn nadat ze dit hoorden, maar het tegendeel was waar. De mensen in de synagoge werden kwaad op Jezus ofschoon het niet meteen duidelijk is waarom. Misschien omdat Hij door zijn vergelijking met de profeten Elia en Elisa de verwachtingen van de mensen teleurstelde of omdat Hij in zijn eigen vaderstad geen wonder deed of vanwege zijn brutaliteit om zichzelf met de grote profeten te vergelijken. Maar het blijft niet erg aannemelijk dat de mensen in de synagoge van Nazareth om die redenen boos werden. Maar ze werden het wel. De grote vraag is waarom werden zij zo kwaad?

De vorige paus Benedictus XVI laat in zijn mooie Jezusboeken rabbijn Neusner aan het woord komen die heel precies laat zien wat bepaalde groepen in het toenmalige jodendom tegenstond aan Jezus. Over het algemeen waren volgens die rabbijn heel veel woorden en daden van Jezus best wel acceptabel voor de joodse religieuze leiders. Veel dingen die Hij zei of deed waren al eerder gedaan door profeten. En de dingen waardoor Hij de joodse wetten wel overtrad, dat waren overtredingen waarvoor Hij niet gedood hoefde te worden. Behalve dan die daden en woorden, waardoor Jezus direct of indirect liet zien wie Hij was: de Zoon van God, die Hij zelfs ‘Vader’ meent te mogen noemen. En dat was iets godslasterlijks.

En dat ging natuurlijk veel te ver. In het Johannesevangelie staat het heel compact wat zijn tegenstanders niet beviel, als ze zeggen: ‘Niet om een goed werk willen wij u stenigen, maar omdat gij, een mens, uzelf tot God maakt’. En dat was wat zijn tegenstanders afstootte en dat was precies wat hen die wél in Hem geloofden zo ontzettend fascineerde: dat hier niet zomaar een rabbi of profeet stond, maar dat in Jezus God zelf tot hen sprak. Dat de Schepper van hemel en aarde, de onbekende grote God, het dragende mysterie van het leven, de levensgeest, de bron van liefde, dat die zich met een menselijk gezicht laat zien in de geschiedenis in de persoon van Jezus.

Daardoor kregen en krijgen alle woorden van Jezus ineens een heel andere lading: het zijn niet meer zomaar wat menslievende daden of wijze woorden van een aardse sterveling, een profeet of filosoof, tussen allerlei andere wijze mensen, neen, het zijn de woorden en daden van God zelf die we in Hem zien en horen.

En die een mens, als hij in Hem gelooft, aanspoort tot menslievendheid en barmhartigheid. In het evangelie van vandaag zien we dat Jezus niet bepaald een mentaliteit heeft van ‘eigen volk eerst’, waarmee Hij misschien sommige mensen teleurstelt die hadden gehoopt op een voorkeursbehandeling. Neen, Jezus geeft het voorbeeld van Elia en Elisa die eerst de buitenlanders hielpen. Barmhartigheid en naastenliefde is dus voor Hem niet iets leuks om erbij te doen, maar een Goddelijke wet, een Goddelijk gebod: een fundamentele houding van welwillendheid ten opzichte van mensen in nood. Een voorbeeld daarvan zagen we de afgelopen maanden in het kerkasiel van die Armeniërs in de Bethelkerk in Den Haag. Barmhartigheid en naastenliefde is niet iets ouderwets of achterhaalds, maar nog steeds nodig, blijkt maar weer. En dan lijkt het wel dat onze westerse samenleving veel andere dingen interessanter vindt, maar dan wordt gemakshalve wel vergeten dat heel veel positieve verworvenheden van diezelfde samenleving direct of indirect zijn terug te voeren op Jezus en zijn boodschap van liefde. Laten we dus proberen onze relatie met Hem steeds weer opnieuw te vernieuwen en te verdiepen. Hij die steeds dezelfde is, en toch steeds weer nieuw. Maar Hij heeft ons nodig om getuigen te zijn van zijn liefde en barmhartigheid.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers