Home » Preekarchief » preken 2019 » 31 maart 2019

31 maart 2019

OVERWEGING VIERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Jozua 5,9a.10-12 en Lc. 15,1-3.11-31)(C)
Met een zwaar gemoed gaat de oude man dezelfde weg die hij al jaren gaat. Naar die heuvel dáár, daar heb je immers het beste uitzicht. Zijn stramme benen dragen hem omhoog, elke dag weer. Boven aangekomen tuurt hij gespannen naar de horizon. Tegen beter weten in. Het is al zolang, maar hij kán eenvoudig niet opgeven. Zijn hand houdt hij boven zijn ogen om ze af te schermen tegen de felle zon. Vandaag ziet hij waar hij al die tijd naar verlangd en om gebeden heeft. In de verte, midden tussen de karavaan ziet hij zijn zoon, en direct maakt zijn hart een sprong van vreugde. Ja, hij is het! Hij heeft zijn beide zonen weer samen.

Je kunt je de vreugde van de vader in de parabel goed voorstellen. Door het dolle heen geeft hij opdracht een groot feest te organiseren. De zoon die hij dood gewaand had, bleek te leven en is teruggekeerd naar het huis van zijn vader. Hij heeft zich verzoend en het is feest. Maar er is ook nog een oudste zoon. Hij die zich er op voorstaat dat hij altijd de geboden van zijn vader heeft onderhouden. Dat hij altijd rechte wegen is gegaan. Zijn jongere broer was een klaploper, een verbrasser, ging met slechte mannen en vrouwen om. En voor hém wordt nu wél het kalf geslacht? De oudste zoon kan zich niet voorstellen dat zijn vader dáárom een feest geeft.

Jezus vertelt deze parabel natuurlijk met een reden. Hij wil de Farizeeën een spiegel voorhouden. In de eerste verzen beklagen de Farizeeën en Schriftgeleerden zich erover dat Jezus met tollenaars en zondaars omgaat. Dat één van hen (Jezus was ook een Schriftgeleerde) omging met minderwaardig volk, dat ging er bij hen niet in. In tegenstelling tot wat wij denken gaat deze parabel dus vooral over de oudste zoon. De oudste zoon veroordeelde zijn jongere broer keihard. Net zo hard als de Farizeeën de tollenaars en zondaars veroordeelden.

Wat is nu dan de boodschap die aan de toehoorders en dus ook aan ons wordt meegegeven? De Farizeeën meenden, doordat hun levenswandel zo perfect was, dat zij dichter bij God stonden en dat zij daardoor meer rechten hadden. Met de parabel stelt Jezus daar een heel andere werkelijkheid tegenover. De vader staat voor de barmhartige God. En die vader zegt aan het einde: ‘Alles wat van Mij is, is ook van jou’. Dus met andere woorden: jullie voorbeeldige levenswandel is geen eigen verdienste, maar is ook een geschenk van Gods barmhartigheid. Je kunt dus wel zo vergenoegd doen over jullie rechte wegen, maar die zijn ook door God gegeven! Die konden ze dus in hun zak steken.

Maar toch schuurt het verhaal. Want, als alles door God gegeven is, waar blijft dan onze eigen verantwoordelijkheid? Hebben wij zelf ook nog wat in de melk te brokkelen? Wat bijvoorbeeld als wij allen de weg van de jongste zoon op gaan? Ons leven compleet laten ontsporen in verkeerde beslissingen, egocentrisme en hedonisme. Kunnen we dan zeggen: het is van God gegeven? Zo heeft God het voor mij beslist. Of wanneer we, zoals de oudste zoon ons voorstaan op onze perfecte levenswandel en tegelijkertijd neerkijken op anderen en die hard veroordelen? Ook die perfecte levenswandel is toch door God gegeven.

Als wij dat zeggen of denken, dan ontkennen we een heel belangrijk aspect van ons mens zijn. En dat is de vrije wil. God geeft ons niet alleen onze wegen. Hij heeft ons ook de vrijheid gegeven zelf te bepalen hóe wij die wegen gaan. Soms gaat onze levensweg ‘van het padje af’ om wat voor reden dan ook. Ook dan zijn wij verantwoordelijk voor onze keuzes. Met dank aan onze vrije wil. De jongste zoon begon het in te zien toen hij bijna dood ging van de honger tussen de varkens. Hij zag in dat hij fout zat en wilde zich verzoenen met zijn vader. Toegegeven, een mens heeft vaak een zetje nodig vanuit de nood waarin hij zit. Maar er is – binnen onze levensweg – een keuze. En de belangrijkste boodschap aan ons is dat het nooit te laat is de goede keuze te maken. De barmhartige God staat elke dag op zijn heuvel en kijkt naar ons uit.

De ‘parabel van de oudste zoon’ heeft een open einde. Want ook de oudste zoon moet een keuze maken. Gaat hij in op de uitnodiging van zijn vader? In die zin staat hij voor dezelfde keuze als zijn broer. Blijft hij halsstarrig overtuigd van zijn eigen superioriteit, of verzoent hij zich met zijn vader? De lezingen van vandaag zijn een goed ijkpunt in deze veertigdagentijd. Ze houden ons een spiegel voor. Roepen ons ertoe op na te denken over onze houding in ons leven. Schuilt er in ons iets van de oudste zoon en hebben we het wel erg goed met onszelf getroffen? Of huist de jongste zoon in ons leven en leven we maar raak? Waarschijnlijk hebben wij van alle twee wat en moeten ze beide leren dat enerzijds alles van God gegeven is en dat anderzijds het ook het resultaat is van onze eigen keuzes. Borstklopperij is dus niet gepast en oprecht berouw en bescheidenheid zeer gewenst.

De prachtige lezingen van deze vierde zondag van de veertigdagentijd houden ook een belofte in. We lazen dat God zijn belofte van een nieuw land voor zijn volk nakwam. En zo belooft Hij ons ook een thuiskomst bij Hem. Als wij ons door Christus laten verzoenen met Hem. Heel in het bijzonder in deze tijd mogen wij die genade ontvangen in het sacrament van boete en verzoening.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers