Home » Preekarchief » preken 2019 » 7 april 2019

7 april 2019

OVERWEGING VIJFDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD, ST. BONIFATIUSPAROCHIE, ALMERE

(Jes. 43,16-21 en Joh. 8,1-11)(C)

Voor God is niets onmogelijk. Hij kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken, zegt de Bijbel ons. En de eerste lezing vertelt ons dat de Heer in staat is een weg door de zee te leggen en een rivier door de woestijn te laten stromen. Dingen die naar menselijke maatstaven onmogelijk lijken. Maar bij God is het onmogelijke kennelijk toch mogelijk.

En de mens? Ook de mens is in staat om grootse dingen te doen. In het begin van de schepping heeft God de mens naar zijn eigen beeld gemaakt. En als er één unieke eigenschap is die de mens heeft, dan is het wel dat hij op God lijkt en daardoor in staat is om, net als God, barmhartig te zijn. Een mens kan heel veel dingen bereiken in zijn leven. Hoogste bergen beklimmen, oceanen trotseren, Elfstedentochten schaatsen, fietsen of zwemmen. Maar een mens kan ook barmhartig zijn. De ene eigenschap die ons op God, onze Schepper, doet lijken. En oh, ja, het is helaas verre van vanzelfsprekend dat wij ook daadwerkelijk barmhartig zijn.

We zagen zojuist een voorbeeld in het evangelie: de Farizeeën en Schriftgeleerden hadden geen greintje medelijden met de vrouw. Een voor een hadden ze de stenen al in hun hand. Bovendien was er een dubbele agenda: Jezus een hak proberen te zetten.

En wat doet Jezus? Hij confronteert hen en ons met onze eigen zonden: ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’. En ja, als je die opmerking tot jezelf toelaat, dan realiseer je je dat je zelf ook niet vrijuit gaat. Ze dropen allemaal af. De belagers van de vrouw waren eigenlijk geen haar beter dan die vrouw.

Misschien is die confrontatie met de eigen zondigheid wel noodzakelijk om oog te kunnen krijgen voor de gebrokenheid van de ander. Als dat gebeurt raakt Jezus ons in ons hart. Als wij Hem toelaten, ons hart open durven zetten voor Hem, dan komt Hij in ons binnenste en vormt ons hart om. Dan veranderen wij en treedt er verzoening op. Verzoening met de eigen gebrokenheid, met de gebrokenheid van mijn medemens en verzoening met God. De veertigdagentijd is vanouds de tijd van bezinning en verzoening. De geëigende weg daartoe in onze Kerk is via het sacrament van boete en verzoening. Ofschoon de benaming suggereert dat de nadruk ligt op het woordje boete gaat het vooral in wezen vooral over verzoening. Verzoening die een mens nodig heeft om verder te kunnen gaan.

Toen Jezus de kwestie met de vrouw voorgelegd kreeg, zei Hij niets. Hij schreef alleen met zijn vinger in het zand. Hij schreef alleen met zijn vinger in het zand. Een teken van ongeïnteresseerdheid? Of staat die vinger voor de vinger van de Zoon van God; dus feitelijk voor de vinger Gods? Was het ook niet diezelfde vinger Gods die de Wet in steen had geschreven destijds in de tijd van Mozes? Het is dezelfde vinger Gods die hier aan het werk is.

En waar schreef Jezus op? Hij schreef op de grond, op zand. Zand: hetzelfde materiaal als steen, maar dan los. Daar waar de eerste Wet onwrikbaar in steen was gebeiteld, wordt diezelfde Wet nu in het zand geschreven. Zand, los, daar zit beweging in. Dat laat zich nog vormen, is aanpasbaar, is zacht als beeld van barmhartigheid.

En nu naderen wij op deze vijfde zondag van de veertigdagentijd tot het grote liturgische moment van die barmhartigheid, van die vergevende liefde: de Goede Week, met het grote Paastriduüm. Tijdens deze drie dagen wordt de maat van Gods barmhartigheid volledig aan ons geopenbaard én geschonken. Vandaag horen we dat Jezus op de grond schrijft – in de Goede Week valt Hij zelf op de grond, als Hij gegeseld wordt, als Hij het kruis moet dragen en tot drie keer toe onder het kruis valt. Hij is bereid te vallen opdat de mens, hier in de persoon van de overspelige vrouw, opdat wij, weer kan opstaan. Wat geen mens zelfstandig kan, en wat wij ook niet voor elkaar kunnen doen, dat doet de mensgeworden God wel: Hij geeft nieuw leven aan al degenen die door de zonde dood zijn, namelijk wij allemaal.

Het bijzondere is niet dat God dat doet – Hij houdt immers van ons, ook al maken wij er een potje van-, maar de manier waarop Hij het doet, namelijk door zelf de zonde, de loodzware dodelijke last op zijn schouders te nemen. Want de straf, de toorn Gods is bij de mens op zijn plaats, maar de mens hoeft die straf niet zelf te dragen, dat doet de mensgeworden God voor ons. Plaatsvervangend ondergaat Jezus de straf voor de zonde door de dood aan het kruis.
Vandaar dat Hij tegen de overspelige vrouw alleen maar zegt: ‘Ook Ik veroordeel u niet’. Feitelijk zegt Hij daarbij: ‘Ook Ik werp geen steen naar jou, maar Ik laat Mij in plaats van jou stenigen. Ik draag de straf voor jou’. Uiteindelijk wordt Jezus niet gestenigd – wat men wel van plan was aan het einde van hoofdstuk 8 -, maar het wordt zelfs nog erger: Hij wordt gekruisigd.

Tegen de vrouw zegt Jezus nog: ‘Ga heen en zondig van nu af niet meer’. Hij beaamt daarmee dat de vrouw werkelijk in de fout is gegaan. Dat wuift Hij niet weg. Daarom dat Hij wil dat zij zich voorneemt haar leven te beteren. Er moet zoiets zijn als ´een vast voornemen het leven te beteren en niet meer te zondigen´.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers