Home » Preekarchief » preken 2019 » Overweging 32e zondag door het jaar C

Overweging 32e zondag door het jaar C

Het leven na de dood is geen voortzetting van het aardse leven

10 oktober 2019
Schriftlezingen: 2 Makk. 7,1-2.9-14 en Lc. 20,27-38

Het leven na de dood is geen voortzetting van het aardse leven. Punt. Zo val ik met de deur in huis. Maar bijna aan het eind van het kerkelijk jaar zijn we met Jezus aangekomen in Jeruzalem. Het doel van zijn reis. En de spanning is om te snijden. Jezus heeft een hoogoplopende discussie over een leven na de dood. De Sadduceeën, met wie Jezus in gesprek is, geloven niet in de verrijzenis. Dat was maar moderne onzin. Mozes had daar volgens hen nooit iets over gezegd en wie er na Mozes wat over gezegd had, daar hadden zij niets mee te maken. Trouwens, zeiden zij, het kan ook helemaal niet. Want stel je voor dat het waar is en een vrouw zou zeven keer getrouwd zijn geweest, dan zouden er bijzonder ingewikkelde toestanden ontstaan in de hemel. Want dan zou zij in de hemel zeven mannen moeten hebben! Ze is met alle zeven getrouw geweest.

En dan zegt Jezus: het leven na de dood is geen voortzetting van het aardse leven. Het eeuwig leven gaat ieder voorstellingsvermogen te boven. En wat je erover zegt, is mensentaal en zijn mensenbeelden. Het enige dat je er wel over mag zeggen refereert aan de woorden waarmee God zich aan Mozes had voorgesteld. Toen maakte God zich namelijk bekend als ‘de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’. Dus met andere woorden stelde God zich aan Mozes voor als een God die een relatie had met Abraham, Isaak en Jakob. Een relatie! Een relatie veronderstelt een band. Een vriendschapsband of een liefdesband. Dat impliceert dus ook een vriendschapsband of liefdesband met u en met mij. En zoals die aartsvaders allang gestorven waren op het moment dat God zich aan Mozes voorstelde, betekent deze uitspraak ook dat deze God Abraham, Isaak en Jakob niet vergeten had of had laten verdwijnen, maar nog steeds in zijn hart droeg, bij zich had in de hemel. Dat gaf Mozes het vertrouwen dat God ook hem in zijn hart droeg en niet los zou laten. En doorredenerend ook u en mij niet los zal laten, zelfs niet als wij dood gaan of dood zijn. En hier liet Jezus het bij. Hij maakte er niet meer woorden aan vuil.

Maar ja, wij zijn maar mensen en hebben het soms moeilijk in ons leven. We worden soms getroffen door vreselijke dingen. Nare ziektes, verschrikkelijke ongelukken, tragische incidenten. En soms doen andere mensen dat ons aan. Meestal op kleine schaal, maar elke tijd heeft altijd ergens wel een of andere tiran of dictator. Iemand die gewoon verschrikkelijk geweld gebruikt tegen mensen, hen martelt, foltert of misbruikt. Hoe zit het dan met die mensen, met de slachtoffers van die dictators, van die beulen? Deze mensen hebben dan toch zeker wel een plaatsje in de hemel verdiend? En de daders, de dictators, de beulen, de massamoordenaars, de sadisten, de verkrachters die toch zeker niet! Die worden toch niet beloond, hè? Want goede mensen worden na hun dood beloond en slechte gestraft. Dat staat voor de meeste mensen als een paal boven water. Zou je denken, maar niemand die het weet. De vierde broer zei het zo tegen de martelende tiran: ‘Voor u echter zal geen verrijzenis tot een nieuw leven zijn’. Hij wist het dus. En daar moeten wij het uiteindelijk mee doen. En met de woorden en het vertrouwen van Jezus natuurlijk. Maar woorden schieten tekort om aan te geven hoe het er uitziet.

Misschien moeten we dat dan ook maar afwachten en ons drukker maken over het leven nu. Dat we er nu wat van maken. Dat wij nu ons best doen om dood, ellende en uitbuiting tegen te gaan. Wat we namelijk wel weten is dat God zelf af is gedaald om zijn verdrukte volk uit het slavenhuis te bevrijden, hen dus weg te voeren uit de dood naar het leven. Dat weten we uit het Uittochtverhaal. Toen wees Hij hen de weg naar het beloofde land: een samenleving gebaseerd op verbondenheid en op eerbied en aandacht voor de zwaksten. En dan is het duidelijk dat deze God niets te maken wil hebben met de booswicht van een koning uit de eerste lezing. Of met de booswichten uit de vorige eeuw of met die uit deze eeuw. En mensen die in Hem geloven, vertrouwend op Gods belofte, die vinden dan kracht en moed om het vol te houden ondanks de verschrikkelijke tirannen.

Maar welk vertrouwen op God kennen wij zelf dan? Vertrouwt ieder van ons er nog steeds op dat God ons opwacht over de grens van de dood heen? En hoe is het met onze verbondenheid met de doden? Geloven wij ten diepste dat zij leven voor het aangezicht van God? Wij vieren in elke eucharistieviering de verrijzenis. Hoe werkt dat in ons door? Met onze doop belijden wij dat we met Christus gestorven zijn en met Christus zijn opgestaan. Welke inhoud heeft die belijdenis voor ons? God openbaart zich vandaag in de lezingen opnieuw als een God van levenden. Het evangelie verkondigt in allerlei toonaarden de verrijzenis. Maar de apostel Paulus stelt wel dat wij standvastig moeten blijven in ons geloof en in onze hoop en liefde. Standvastig om niet te bezwijken voor de verleiding dat ons geloof nergens op slaat. ‘Is er ooit iemand teruggekeerd?’ wordt ons dan gevraagd. ‘Nou dan, daarom kan ik er niet in geloven’. Maar dan dienen wij te zeggen: Er is wel iemand teruggekeerd. Jezus! Jezus zelf is aan zijn volgelingen verschenen. Aan de vrouwen die Hem volgden, aan zijn apostelen en aan een hele grote groep leerlingen. En wij geloven dat de heiligen ons laten zien dat zij in Gods heerlijkheid zijn en daar voor ons bidden. Het vraagt dus met andere woorden wel om trouw en om doorzettingsvermogen van onze kant, ook om de woorden van het Onze Vader te blijven bidden: Breng ons niet in beproeving, maar verlos ons van het kwade.
Amen.

Amen.
© 2019 Sandor Koppers